Ter voorbereiding van de viering van woensdag 28-07-2021

Ter voorbereiding van de viering van woensdag 28-07-2021

Uit het commentaar van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), op psalm 89 (88)

Straf en gunst

‘Ik, de Heer, zal hun vergrijpen met de roede straffen, met slagen hen doen boeten voor hun schuld. Maar hem zal Ik mijn barmhartigheid niet ontnemen’ (Ps. 89 (88), 33.34). Aan wie ontneem Ik mijn barmhartigheid niet? Aan die David aan wie Ik deze belofte gegeven heb, die Ik met vreugde-olie gezalfd heb (vgl. Ps. 45 (44), 8) als geen van zijn metgezellen. Herken je Christus aan wie God zijn barmhartigheid niet zal ontnemen?

Misschien ben je ongerust en zeg je: als Hij Christus bedoelt en verzekert dat Hij Hem zijn barmhartigheid niet zal ontnemen, wat zal er dan met de zondaars gebeuren? Heeft Hij soms gezegd: hun zal Ik mijn barmhartigheid niet ontnemen? Er staat toch geschreven: ‘Ik zal hun vergrijpen met de roede straffen, met slagen hen doen boeten voor hun schuld’, en om zeker te zijn, verwacht je dan te horen: ‘Maar hun zal Ik mijn barmhartigheid niet ontnemen.’

Inderdaad, enkele handschriften bevatten deze lezing, in de betere echter ontbreekt ze! En toch gaat het hier eigenlijk niet om een verkeerde lezing. Want waarom ontneemt God Christus zijn barmhartigheid niet? Heeft de Verlosser van het mystieke lichaam op de aarde of in de hemel soms gezondigd, Hij die aan Gods rechterhand gezeten is en onze zaak bepleit? (vgl. Rom. 8, 34). Toch ontneemt Hij Christus – dat zijn zijn ledematen, zijn lichaam dat de kerk is – zijn barmhartigheid niet. Want dat Hij Hem zijn barmhartigheid niet zal ontnemen, verzekert Hij als iets heel belangrijks en Hij doet dat op zo’n manier alsof wij de eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is (vgl. Joh. 1, 18), niet kennen. Je moet immers de mens Jezus niet als een zelfstandige persoon zien; integendeel, in Hem zijn God én mens één enkele persoon. Daarom ontneemt God Hem zijn barmhartigheid niet, als Hij die niet ontneemt aan zijn ledematen, zijn lichaam, waarin Hij op aarde vervolgingen doorstaat, ook als Hij al in de hemel is. Vanuit de hemel riep Hij niet: Saul, Saul, waarom vervolg je mijn dienaren? Evenmin riep Hij: waarom vervolg je mijn heiligen? Of: waarom vervolg je mijn leerlingen? Maar Hij zei: ‘Waarom vervolg je Mij?’ (Hand. 9, 4). Al kon niemand Hem nog vervolgen, Hij troonde immers in de hemel, toch riep Hij: ‘Waarom vervolg je Mij?’ Want als hoofd bekommerde Hij zich om zijn ledematen en zijn liefde hield het hoofd verbonden met het geheel dat zijn lichaam is. Omdat God Hem zijn barmhartigheid niet ontnomen heeft, heeft Hij die ook ons niet ontnomen. Wij zijn immers zijn ledematen en zijn lichaam.

Dat alles betekent evenwel niet dat we ons in een bedrieglijke slaap mogen laten wiegen. We mogen onszelf niet wijsmaken dat wij in geen geval verloren zullen gaan, ongeacht wat we doen. Er is niemand die kan zeggen dat hij vrij is van zonde. Wie zoiets zegt, is een leugenaar. ‘Als wij beweren zonder zonde te zijn, bedriegen wij onszelf en woont de waarheid niet in ons’ (1 Joh. 1, 8). Het is noodzakelijk dat ieder afzonderlijk voor zijn zonden gestraft wordt. Maar als het om een christen gaat, ontneemt God hem zijn barmhartigheid niet. Als je echter zóver gaat in de zonde dat je de roede die je straft, afwijst, dat je de hand van Hem die je slaat, wegduwt, dat je kwaad bent ter wille van de tuchtiging, dat je wegloopt van de Vader die je slaat, en Hem niet meer wilt verdragen omdat Hij de zondaar niet ontziet: als je dat alles doet, dan ben je van erfgenaam tot vreemde geworden. Hij heeft je niet verworpen! Als je je straf geduldig verdragen had, dan zou je niet onterfd zijn. ‘Maar Hem zal Ik mijn barmhartigheid niet ontnemen, aan wat Ik Hem beloofd heb, blijf ik trouw’ (Ps. 89 (88), 34). Ja, daarom ontneemt Hij als Verlosser zijn barmhartigheid niet, opdat zijn gerechtigheid als Rechter geen nadeel zou berokkenen.