Doopsel

Het Sacrament van het Doopsel

Het doopsel is het fundamentele sacrament van christelijke intitiatie, en maakt een mens tot lid van de Kerk, de gemeenschap van gedoopten; door het sacrament van het doopsel wordt een mens opnieuw geboren: hij begint een nieuw leven ‘in Christus’.

Opname in de Kerk
Door het doopsel wordt een mens opgenomen in de Kerk, die daarom ook wel wordt aangeduid als de gemeenschap van gedoopten. Het doopsel is het fundamentele sacrament van de christelijke initiatie.

Onuitwisbaar merkteken
Het doopsel drukt in de ziel van de dopeling een ‘onuitwisbaar geestelijk merkteken’. Daarom ontvangt iemand het doopsel slechts éénmaal en kan het niet herhaald worden.

Doop met water
Vanaf haar stichting kent de Kerk de sacramentele doop met water.

Johannes de Doper
Het verhaal over de missie van Jezus Christus begint met de dooppraktijk van Johannes de Doper. Johannes doopte in de woestijn en verkondigde een doop van bekering tot vergeving van zonden: Heel Judea en alle inwoners van Jeruzalem liepen naar hem uit. Ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, en beleden hun zonden. Hij kondigde aan: `Na mij komt iemand die krachtiger is dan ik; ik ben te min om mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen in heilige Geest.’ In die dagen kwam Jezus uit Nazaret in Galilea en Hij liet zich in de Jordaan dopen door Johannes. (Marcus 1, 5;7-9)

Instelling door Christus
Dat Jezus zich door Johannes laat dopen, is niet om zijn eigen zonden te belijden. Jezus neemt als plaatsvervanger de zonden van alle mensen op zich. Hij is de Gezalfde, de Christus, die in het Oude Testament is aangekondigd. Als teken daarvan daalt de Heilige Geest op Jezus neer op het moment dat hij, eenmaal gedoopt door Johannes, uit de Jordaan komt. Jezus zal de Heilige Geest in de Kerk doorgeven. Hij doet dat tijdens zijn leven hier op aarde overigens niet in de vorm van de doop. De doop als sacrament stelt Christus pas in nadat hij gestorven en verrezen is. Zijn opdracht aan de Kerk is dan wel expliciet: “Ga, en maak alle volkeren tot leerling; doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.” (Mattheus 28, 19).

Onderdompelen
In navolging van Johannes de Doper was het bij de vroege christenen gebruik om de dopeling met zijn hele lichaam in water onder te dompelen. Alleen als dit praktisch onmogelijk was, beperkte men zich tot het besprenkelen van het hoofd van de dopeling met water.

Volwassendoop
In de eerste eeuwen van het christendom werd het sacrament van de doop vooral aan volwassenen toegediend. Dat is een groot verschil met onze tijd, waarin vooral zuigelingen worden gedoopt.

Symbool
De vroege christenen beleefden de doop, juist omdat het sacrament meestal volwassenen betrof, zeer intensief. De dopeling, zo dachten zij, nam door de onderdompeling in, en het opduiken uit het water, op symbolische wijze respectievelijk deel aan de dood en de verrijzenis van Jezus Christus. Deze gedachten gingen terug op uiteenzettingen van de apostel Paulus.

‘Watergraf’
Paulus zag het onderduiken van de dopeling in het water als een afbeelding van Jezus’ afdaling in het graf. De dopeling werd door de onderdompeling als het ware ‘mede gekruisigd’ en ‘met Christus begraven’. Eenmaal onder water verbleef de dopeling kortstondig in een ‘watergraf’: symbool voor het echte graf van Christus. Het opduiken van de dopeling uit het water, daarna, was dan een symbolische nabootsing van de verrijzenis, waar de gelovige door zijn doop deel aan krijgt. Let wel: in het Oude Testament was het rijk van de dood in ‘onderaardse wateren’ gelocaliseerd. Bij de doop kon het opduiken uit het water daarom door de eerste christenen als een krachtige symbolische overwinning op de dood worden beleefd.

Oude en nieuwe mens
De vroege christenen voerden het beeld van het watergraf, in navolging van Paulus, nog een stap verder. In het watergraf stierf de dopeling in zekere zin, om daarna opnieuw geboren te worden. De oude, zondige mens bleef in het watergraf achter, en uit het water stond een nieuwe mens op: een mens met een nieuw, in God verborgen leven.

Wegwassen van zonden
De doop wordt in de eerste eeuwen door de kerkvaders onder meer aangeduid als een bad dat de Zonden van de mens wegwast. Dat mocht natuurlijk niet in magische zin verstaan worden. Integendeel: al in de voorbereiding op de doop werd de gelovige geacht zich van zijn zonden los te maken, en zich te oefenen in het juiste, deugdzame leven. De belangrijke christelijke auteur Tertullianus (ca 160-na 220) wist daar een formule voor: reeds voor de eigenlijke doop moest het ‘hart’ van de dopeling gewassen zijn.

Baptisterium
Een doopkapel heet baptisterium. Vaak is een baptisterium achthoekig, omdat gelovigen door het doopsel het nieuwe leven van de verrezen Jezus in zich krijgen. Jezus stond op uit de dood daags na de sabbat, de eerste dag van de week. Deze dag werd door christenen ook wel de Achtste Dag genoemd.

Doopvoorbereiding
Om de harten van nieuwe gelovigen al voor hun doop te zuiveren kende de Kerk in de eerste eeuwen van haar bestaan een uitgebreide voorbereiding op de doop, het zogenaamde catechumenaat. Door de opname, vanaf de vierde eeuw, van grote volksmassa’s in de Kerk moest de doopvoorbereiding op den duur versimpeld worden.

Hedendaagse doopvoorbereiding
Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) staat aan de basis van de regels voor de doopvoorbereiding zoals we ze nu kennen. Uitgangspunt bij de hedendaagse voorbereiding op de volwassenendoop is steeds de individuele levensweg van de kandidaat, die in het perspectief van de Schrift, de kerkelijke traditie en de geloofsgemeenschap nader wordt geduid.

Doop van kinderen
Er is in verschillende kerken nagedacht over de vraag of de kinderdoop eigenlijk wel een goede praktijk is. Is het niet veel beter te wachten tot het kind mondig genoeg is om zelf te beslissen of het gedoopt wil worden? In de katholieke traditie is het antwoord op die vraag eenduidig: neen. Uiteraard kan een kind nog niet geloven. Daarom kan en moet het worden gedoopt op grond van het geloof van de ouders of verzorgers. Omdat de ouders deel uitmaken van de plaatselijke geloofsgemeenschap, die weer onderdeel uitmaakt van de wereldkerk, is het uiteindelijk de gehele Kerk die met haar geloof garant staat als een kind wordt gedoopt.

Doopritueel
De doop is in de traditie van de Kerk steeds met een rijk ritueel vormgegeven. De doop van kinderen geschiedt tegenwoordig met een ritueel dat de geest van het Tweede Vaticaans Concilie ademt. De kern van dat ritueel bestaat nu, net als vroeger, uit drie momenten: het zegeningsgebed over het water, de afzwering van het kwaad en de geloofsbelijdenis, en het doopsel.

Bedienaar
Of het nu om het doopsel van volwassenen of om dat van kinderen gaat: onder normale omstandigheden is de bisschop, de priester of de diaken de bedienaar van het sacrament. Tegenwoordig kan een bisschop ook doopbevoegdheid aan een leek geven.

Noodgevallen
In geval van nood kan eenieder die de juiste intentie heeft het doopsel bedienen. De juiste intentie bestaat uit de wil om in het doopsel de bedoeling van de Kerk tot zijn recht te laten komen, en te dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Levensgevaar
Zelfs een ongelovige ongedoopte kan, als hij de juiste intentie heeft, in noodgevallen dopen. Dat is belangrijk, want de Kerk schrijft voor dat een ongedoopte die in levensgevaar verkeert en oprecht naar Christus verlangt zo spoedig mogelijk dient te worden gedoopt. In zo’n geval volstaat het om het hoofd van de dopeling met water te begieten onder het uitspreken van de woorden: “[Naam], ik doop je in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.”

Doop buiten de Kerk
In de 4de eeuw rees de vraag of een door ketters bediende doop wel geldig was. De katholieke Kerk besliste al snel dat ook het doopsel dat buiten de katholieke Kerk wordt toegediend, geldig is, mits het in de juiste vorm gebeurt. Dit betekent overigens wel dat iemand die geldig buiten de katholieke Kerk gedoopt is, bij toetreding tot die Kerk niet opnieuw gedoopt kan worden. Het doopsel is immers een ‘onuitwisbaar merkteken’.

Doopsel en oecumene
De rooms-katholieke Kerk weet zich door het doopsel verbonden met gedoopte christenen uit andere kerken. Het Tweede Vaticaans Concilie stelt het zo: “Want zij die in Christus geloven en op juiste wijze zijn gedoopt, treden in een zekere, zij het niet volkomen gemeenschap met de katholieke Kerk.” (Unitatis Redintegratio, 3) Het doopsel is daarmee de grondslag van de oecumene.

Heil voor ongedoopten?
De sacramentele doop met water is door Christus als onontbeerlijk middel tot heil van de gelovigen ingesteld. Maar wat dan van de ongedoopten: zijn deze mensen reddeloos verloren? Zeker niet. Gods genade is niet aan de sacramentele doop alleen gebonden.

Bloeddoop
Een bijzondere vervanging voor de sacramentele doop is de bloeddoop. Hiervan spreekt de Kerk als een ongedoopte mens Christus in Zijn lijden navolgt, – en dan niet alleen op een zinnebeeldige, maar juist ook op een uiterst realistische wijze. Dan is namelijk sprake van een heus martelaarschap van de ongedoopte. Dit martelaarschap weegt voor het bereiken van het heil even zwaar als de sacramentele doop.

Doopsel van begeerte
Ook het zogenaamde ‘doopsel van begeerte’ weegt voor het bereiken van het heil even zwaar als de sacramentele doop met water. Het doopsel van begeerte, zo stelt de Kerk, wordt ontvangen door iedere ongedoopte die expliciet of zelfs maar impliciet een verlangen (votum) naar de sacramentele doop kent. Dat is enigszins abstract gesteld. Concreet leert de Kerk dat iedere ongedoopte het doopsel van begeerte ontvangt als hij er in geweten naar streeft om zijn leven in te richten op een wijze die God welgevallig is, ook al kent hij God niet.