Eucharistie: betekenis

Eucharistie: betekenis

De eerste christenen kwamen bij elkaar om Jezus te gedenken op een wijze die Hij zelf had voorgedaan, toen Hij op de avond voor zijn lijden en sterven een afscheidsmaal hield. Daarbij nam Jezus brood en wijn en gaf ze als zijn Lichaam en Bloed te eten en te drinken. Wat bedoelde Hij daarmee? En waarom wilde Hij tot het eind der tijden in herinnering blijven? Waarom leggen paus en bisschoppen zoveel nadruk op de eucharistie? Over de betekenis van het sacrament van de eucharistie is in de loop der eeuwen veel gezegd en geschreven. De Katholieke Kerk heeft altijd vastgehouden aan deze overtuiging: wie gelovig deelneemt aan de eucharistie neemt deel aan het goddelijk leven.

Opbouw van dit lemma:

A. INLEIDING  
1. Verleden en heden
2. Toekomst
3. Heilige Geest
4. Verticale en horizontale dimensie

B. LICHAAM EN BLOED
1. Geen kannibalisme
2. Liefdestaal
3. Lichaam in semitische betekenis
4. Bloed in joodse traditie
5. Bloed als bekrachtiging van het verbond
6. Vergoten tot vergeving der zonden

C. OFFER
1. Slachtoffer
2. Offer en offeraar
3. Misoffer
4. ‘Paapse afgodendienst’
5. Eucharistie en priesterschap

D. WEZENSVERANDERING
1. Transsubstantiatie
2. Overgang naar andere substantie
3. Concilie van Trente
4. Werkelijke tegenwoordigheid
5. Tegenwoordig in volk, woord en priester

E. SAMENKOMST
1. Maaltijd des Heren
2. Altaar én tafel
3. Vaticanum II
4. Sociaal-politieke dimensie

A. INLEIDING

1. Verleden en heden
De eucharistie is de gedachtenis aan Jezus’ lijden, dood en verrijzenis. Door deze gedachtenis wordt Jezus, de mens geworden God, als het ware naar het heden gehaald. De Katholieke Kerk leert dat Jezus op bijzondere wijze aanwezig is temidden van hen die eucharistie vieren. Deze tegenwoordigheid wordt mogelijk gemaakt door de Verrijzenis. Door dit wonder overstijgt Jezus namelijk ruimte en tijd en kan Hij Zichzelf meedelen aan iedere persoon in iedere tijd.

2. Toekomst
De eucharistie heeft ook een eschatologische betekenis: de gelovige blikt vooruit op zijn uiteindelijke bestemming (eschatos is Grieks voor ‘laatst’ of ‘uiteindelijk’). Omdat die gelovige is ingelijfd in het Lichaam van Christus – dat de Kerk is – zal hij net als Christus uit de dood verrijzen. Wie deelneemt aan de eucharistie mag dus hopen dat zijn sterfelijk bestaan wordt getransformeerd tot een eeuwig bestaan. Vandaar ook dat de heilige Hostie wordt genoemd: Brood van Eeuwig Leven.

3. Heilige Geest
Een wezenlijk aspect van de eucharistie dat vaak over het hoofd wordt gezien is de werking van de Heilige Geest. De Heilige Geest is volgens de traditionele opvatting de goddelijke liefdesband tussen de Vader en de Zoon. Deze liefdesband zelf is ook God; beleden wordt dat de Geest de Derde Persoon van de Goddelijke Drie-eenheid is. Het is de Geest die over Maria kwam en het mogelijk maakte dat Jezus geboren kon worden. Diezelfde Geest wekte Jezus op uit de doden en werd op Pinksteren uitgestort over de Apostelen. Krachtens die Heilige Geest konden de apostelen doen wat Jezus had gezegd bij het Laatste Avondmaal: ‘Doe dit tot mijn gedachtenis.’ Omdat de Geest via de apostelen ook over hun opvolgers en alle gedoopten kwam, is de eucharistie als een gebeuren van de Geest door de eeuwen heen bewaard gebleven. Daardoor is het voor gelovigen mogelijk geworden deel te hebben aan de liefdesband tussen God de Vader en God de Zoon.

4. Verticale en horizontale dimensie
De Geest is niet alleen de eeuwige liefdesband tussen de Vader en de Zoon, maar ook de goddelijke kracht die mensen in staat stelt elkaar volgens Gods bedoelingen te beminnen. Over de liefde zegt Jezus in het Matteüs-evangelie: ‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: U zult uw naaste liefhebben als uzelf’ (22,37.38). De eucharistie is voor de gelovige de ultieme gelegenheid om in kerkelijk verband zijn liefde tot God te laten blijken. Liefde tot God is echter onmogelijk zonder liefde tot de medemens. De eucharistie is dus nooit enkel een dienst aan God, maar ook altijd een bijeenkomst waar gelovigen als broeders en zusters de onderlinge liefde vieren. Schematisch uitgedrukt: de eucharistie heeft een verticale (mens-God) én een horizontale dimensie (mens-mens).

B. LICHAAM EN BLOED

1. Geen kannibalisme
Jezus zegt in het Johannes-evangelie: ‘De grootste liefde die iemand zijn vrienden kan betonen, bestaat hierin dat hij zijn leven voor hen geeft’ (15,13). Jezus zelf heeft zijn leven gegeven voor zijn volgelingen. Daarop vooruitspelend nam Hij tijdens zijn afscheidsmaal brood en zei: ‘Eet hiervan, want dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Ook nam Hij wijn en zei: drink hiervan want dit is mijn bloed dat voor jullie vergoten wordt.’ Voor iemand die niet vertrouwd is met deze woorden, klinkt dat enigszins luguber. Een lichaam eten, bloed drinken. Het is dan ook niet gek dat christenen in de eerste eeuwen geregeld van kannibalisme werden beschuldigd.

2. Liefdestaal
Het moet duidelijk zijn dat Jezus nooit zijn stoffelijke lichaam en bloed te eten en te drinken heeft gegeven. Hij gaf de leerlingen brood en wijn. Het brood noemde Hij zijn lichaam en de wijn zijn bloed. Wie daarvan eet en drinkt wordt als het ware doordrongen van Jezus zelf, echter niet in zijn biologische, maar in zijn geestelijke hoedanigheid. Jezus drukte zich in liefdestaal uit. In de Bijbel is het niet ongewoon dat voedsel en drank symbolen voor liefde en zelfs erotiek zijn. In de Nederlands taal kennen we dat ook en wel in de uitdrukking: ‘ik kan je wel opeten’. Toch mag Jezus’ liefdestaal niet worden versmald tot louter beeldspraak. Zijn uitspraken zijn namelijk uniek en radicaal. Vanaf het begin van de Kerk bestaat dan ook de overtuiging dat Jezus’ woorden tijdens het Laatste Avondmaal staan voor diens onnavolgbare zelfopoffering.

3. Lichaam in semitische betekenis
Het begrip ‘lichaam’ betekende voor Jezus iets anders dan voor ons nu. Beïnvloed door de Griekse filosofie kunnen wij ‘lichaam’ opvatten als het  stoffelijk omhulsel van de menselijke ziel of als een stoffelijk ding dat door een geest wordt bezield. Beïnvloed door de moderne biologie kunnen we het lichaam beschouwen als een verzameling botten, spieren en organen, bestaande uit weefsels van genetisch bepaald celmateriaal. Voor Jezus, die voortkwam uit een Semitische cultuur, duidt ‘lichaam’ echter op de gehele menselijke persoon. Dus toen Jezus zei dat hij zijn lichaam zou geven, sprak Hij over zijn hele wezen en niet alleen over zijn lijf.

4. Bloed in joodse traditie
Als Jezus spreekt over bloed, dan bedoelt Hij iets anders dan wat de moderne mens er onder verstaat. Jezus, die leefde in de eerste eeuw, was immers opgevoed volgens de Tora, de joodse wet. ‘Bloed’ betekent voor ons het rode lichaamssap dat het hart door alle aderen van het lichaam pompt. Soms gebruiken we het ook in figuurlijke zin. Bijvoorbeeld: ‘mijn eigen vlees en bloed’ betekent ‘mijn eigen kinderen’; ‘blauw bloed’ betekent ‘van adellijke afkomst’. In Bijbelse tijden was bloed een heilig sap, dat alleen aan God toebehoorde. De rituele wetten in de Tora zeggen daarom dat je een dier zo moet slachten dat al het bloed kan wegstromen, terug naar God. Bloed drinken was een gruwel in de ogen van wetgetrouwe Israëlieten, want het bloed bevat het van God gegeven leven. Als Jezus zegt ‘dit is mijn bloed’ dan bedoelt Hij te zeggen: dit is mijn leven zoals dat aan God toebehoort. Voor de joodse apostelen moet het ongetwijfeld schokkend geweest zijn toen zij Jezus vervolgens hoorden zeggen: drink uit deze beker.

5. Bloed als bekrachtiging van het verbond
In bijbelse tijden was bloed een heilig vocht, waarmee onheil kon worden afgeweerd en waarmee verbonden konden worden bekrachtigd. Toen Jezus de beker nam en zei: ‘Dit is mijn bloed van het verbond, voor velen vergoten tot vergeving van de zonden’, moet hij een passage uit het boek Exodus in gedachten hebben gehad. Daarin wordt het volgende verteld. Nadat Mozes de Wet van God heeft ontvangen op de berg Sinaï, wordt het verbond dat God met het volk Israël heeft gesloten door Mozes bekrachtigd door een ritueel, waarbij bloed een reinigende kracht heeft. Er worden stieren geofferd en de helft van hun bloed wordt door Mozes over het volk gesprenkeld. En Mozes zei: ‘Dit is het bloed van het verbond dat de HEER, op grond van al deze woorden, met u sluit’ (Ex. 24,5-8). Het nieuwe verbond dat Jezus sluit wordt niet bekrachtigd met het bloed van dieren, maar met zijn eigen bloed.

6. Vergoten tot vergeving der zonden
Als Jezus zegt: ‘vergoten tot vergeving van de zonden’, dan verwijst hij mogelijk naar een passage uit het Bijbelse profetenboek Jeremia. ‘Dit is het nieuwe verbond dat ik in de toekomst sluit (..): Ik schrijf mijn Wet in hun binnenste. (..) Ik vergeef hun misstappen. Ik denk niet meer aan hun zonden’ (Jer.31:32). Gedoopte christenen die deelnemen aan de eucharistie, vieren het nieuwe verbond dat bekrachtigd is door Jezus’ bloed. Zijn bloed reinigt de mensen van zonden. Dat is nodig, omdat de zonde de mens belemmert om zijn ware bestemming te bereiken: de vereniging met God.

C. OFFER

1. Slachtoffer
Als Jezus zegt dat zijn bloed het nieuwe verbond bekrachtigt, dan beschouwt Hij zichzelf als vrijwillig slachtoffer. Hij heeft zijn leven gegeven omwille van het heil van mensen. Het godsdienstig verschijnsel van het offer is moeilijk te vatten. Het veronderstelt immers een God die offers verlangt. Zonder in te gaan op de theologische problematiek die daarmee samenhangt, moet gesteld worden dat in het Nieuwe Testament het godsdienstig offer als een gegeven wordt beschouwd.

2. Offer en offeraar
In de joodse tempeldienst waren het de priesters uit het geslacht van Aäron, die aan God slacht- en brandoffers opdroegen. De nieuwtestamentische Hebreeënbrief zegt dat het priesterschap onder het oude verbond is vervangen door een nieuwe priesterschap. Nu is er nog maar één Priester (in de betekenis van offeraar): Jezus. ‘Als het bloed van bokken en stieren (..) de verontreinigden kan heiligen zodat zij uiterlijk rein worden, hoeveel te meer dan het bloed van Christus. Door de eeuwige Geest heeft Hij zichzelf aan God geofferd als een smetteloos offer, dat ons geweten zuivert van dode werken, om de levende God te dienen’ (Hebr. 9:13.14). Christus is offeraar én offer tegelijkertijd.

3. Misoffer
De eucharistie is niet alleen een herinnering aan het offer dat Jezus aan het kruis heeft gebracht, ze is er ook de actualisering van. De eucharistie is dus geen offerdienst in de eigenlijke zin van het woord. De Mis stelt het ene offer van Jezus present; daarom spreekt men ook wel van Misoffer. Het Concilie van Trente (1545-1563) verwoordde het aldus: ‘In dit goddelijk offer dat tijdens de mis voltrokken wordt, is dezelfde Christus, die zichzelf eenmaal op het altaar van het kruis op bloedige wijze offerde, aanwezig en wordt Hij op onbloedige wijze geofferd’ (DS 1743).

4. ‘Paapse afgodendienst’
Het Concilie van Trente was een reactie op de Reformatie. De leiders van deze beweging deden een felle aanval op het ‘paapse’ misoffer, dat zij als een afgodendienst wegzetten. De cultus van het misoffer zou een affront zijn aan het adres van Jezus, die voor eens en voor altijd het ene, ultieme en toereikende offer had gebracht. Het misoffer was dus volgens de Reformatie niet alleen onnodig, het was ook blasfemisch. Het katholieke leergezag antwoordde dat Jezus’ offer inderdaad voor eens en altijd de verzoening met God had bewerkstelligd, maar dat iedere eucharistieviering dat ene, unieke offer op sacramentele wijze present stelt.

5. Eucharistie en priesterschap
Volgens het katholiek leergezag kan enkel de priester optreden als voorganger in een eucharistie. De priesterwijding houdt immers in dat de kandidaat een eeuwigdurend merkteken ontvangt, waardoor hij – zoals dat heet ‘gelijkvormig’ wordt aan Christus als Priester. Het woord ‘priester’ kan echter een misverstand opleveren. Het is afgeleid van het Griekse presbuter, dat ‘oudere’ betekent. Ons woord ‘priester’ duidt echter niet op ‘ouderling’ of ‘gemeenteleider’, maar op ‘voltrekker van een godsdienstig ritueel’ en in strikte zin op ‘offeraar’. In het Latijnse dogmatische jargon is daar een term voor gereserveerd: sacerdos. Het wijdingssacrament bestaat uit drie graden: de wijding tot diaken, presbyter en bisschop. Alleen de laatste twee hebben deel aan Christus’ hoedanigheid van sacerdos en zijn dus in staat het sacramentele offer op te dragen. Daardoor wordt het ene hogepriesterlijke offer van Christus geactualiseerd en bestendigd.

D. WEZENSVERANDERING

1. Transsubstantiatie
Al sinds de eerste eeuwen van het christendom preken bisschoppen over het wonder dat zich op het altaar voltrekt: de verandering van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus. In de Middeleeuwen probeerden theologen dit geloofsgeheim te vangen in het filosofisch jargon van die tijd. In de westerse theologie van de 11e eeuw raakte de term transsubstantiatie in zwang. In 1215 gebruikte het Vierde Concilie van Lateranen het Latijnse woord transsubstantiare. Daarmee zeiden de concilievaders dat de werkelijkheid van brood en wijn overgaat in de werkelijkheid van het Lichaam en Bloed van Christus, terwijl de uiterlijke kenmerken van brood en wijn waarneembaar blijven.

2. Overgang naar andere substantie
Thomas van Aquino (ca. 1225-1273) legt het begrip ‘transsubstantiatie’ uit met behulp van de leer van de antieke wijsgeer Aristoteles (384-322 v. Chr.). Van Aristoteles is het begrippenpaar substantiaaccidens afkomstig. Ieder ding bestaat uit een onveranderlijke essentie en veranderlijke toevallige kenmerken. Als een zwarte stoel geel geschilderd wordt, blijft de stoel een stoel; de ‘substantie’ blijft ongewijzigd, alleen de ‘accidenten’ zijn veranderd. Bij de transsubstantiatie werkt het eigenlijk andersom. De substantie van brood verandert in de substantie van Christus’ lichaam, terwijl de accidentele eigenschappen van brood ongewijzigd blijft.

3. Concilie van Trente 
Het Concilie van Trente (1584-1563) heeft de transsubstantiatieleer bevestigd. De concilievaders schreven: “Het is de overtuiging van de Kerk (..) dat door de Consecratie van brood en wijn een verandering optreedt van heel de substantie van brood in de substantie van het Lichaam van Christus, onze Heer, en van heel de substantie van de wijn in de substantie van het Bloed. Deze verandering wordt door de Katholieke Kerk op een geschikte en eigen wijze transsubstantiatie genoemd.” In de 20ste eeuw probeerden theologen nieuwe termen voor het mysterie te vinden. Paus Paulus VI zei echter in zijn encycliek Mysterium Fidei van 1965 dat de term transsubstantie tot de officiële uitleg van de katholieke doctrine moest blijven behoren.

4. Werkelijke tegenwoordigheid
De transsubstantiatieleer drukt de katholieke overtuiging uit dat Christus in de eucharistie werkelijk aanwezig is onder sacramentele tekenen. In het Johannes-evangelie staat immers: ‘Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld (..) Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank’ (6,51-55). Brood en wijn zijn na de Consecratie het Lichaam en Bloed van Christus. Dat betekent dat de Verrezen Christus niet alleen symbolisch is vertegenwoordigd, maar ook dat Hij werkelijk met heel zijn goddelijke én menselijke wezen aanwezig is.

5. Tegenwoordig in volk, woord en priester
De leer van de Werkelijke Tegenwoordigheid sluit niet uit dat Jezus ook aanwezig buiten de gedaanten van brood en wijn aanwezig is. Jezus zegt immers in het Matteüs-evangelie: ‘Waar er twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden’ (18:20). Alleen al het feit dat gelovigen in Jezus’ naam bijeen zijn, is al voldoende om aan te nemen dat Hij er is. Naast de aanwezigheid in het gelovige volk, is Jezus, die het Woord van God genoemd wordt, tegenwoordig in de Heilige Schrift. Telkens als de bijbellezingen in de woorddienst van de mis worden voorgelezen, is het Goddelijk Woord Zelf aanwezig. Verder is de gestalte van de voorganger een sacramenteel teken van Christus’ aanwezigheid. De priester handelt immers niet alleen uit naam van Christus, maar treedt ook op in zijn persoon. Dat betekent dat door middel van de liturgische activiteit van de priester, Christus Zelf handelt.

E. SAMENKOMST

1. Maaltijd des Heren
De eucharistie is niet alleen een sacramenteel offer, maar vooral ook een maaltijdviering. In de Bijbel betekent samen eten meer dan het gelijktijdig nuttigen van voedsel. Het is vooral het verkeren in elkanders intieme gezelschap. Samen maaltijd houden impliceert waarden als familieliefde en gastvrijheid. In dat opzicht is de Maaltijd des Heren, zoals de eucharistie vaak genoemd wordt, een bijeenkomst van verwanten of gasten aan tafel van een gastheer. Die gastheer is Christus zelf. De genodigden zijn de kinderen van God, die als broeders en zusters hun gemeenschappelijk Vader danken en aanbidden.

2. Altaar én tafel
Vanwege het maaltijdkarakter heeft het Altaar in een katholieke kerk ook de betekenis van Tafel. Vaak wordt gesproken over altaartafel. Aan de Tafel des Heren ‘zitten’ zij die ‘genodigd zijn aan het Bruiloftsmaal van het Lam*’; zij nuttigen het Brood des Hemels en het Kostbaar Bloed van Christus.

3. Vaticanum II
Het Concilie van Trente had als reactie op de Reformatie de nadruk op het offerkarakter van de Mis gelegd. Dat leidde ertoe dat het maaltijdkarakter naar de achtergrond werd gedrukt. Het Tweede Vaticaans Concilie herstelde het oorspronkelijke evenwicht tussen offer en maaltijd. Volgens de concilievaders was de eucharistie ook de samenkomst van het Volk van God. In sommige delen van de Katholieke Kerk leidde de correctie van Vaticanum II echter tot een nieuwe onevenwichtigheid. Onder invloed van de tijdgeest van de jaren zestig en zeventig werd de eucharistie door sommige priesters en gelovigen versmald tot een gezamenlijke viering van ‘breken en delen’.

4. Sociaal-politieke dimensie
De intermenselijke of ‘horizontale’ dimensie van de eucharistie beperkt zich niet tot de vierende gelovigen, maar tot de gehele mensheid. De Kerkvaders hebben er altijd op gehamerd dat de Maaltijd des Heren de gelovigen voor verplichtingen jegens de armen stelt. Het zijn immers de armen voor wie God een voorkeursliefde lijkt te hebben. Zo staat in het Matteüs-evangelie dat Christus zich identificeert met de armen. Dienst aan God, moet dus ook dienst aan de armen zijn. Vandaar dat er in iedere eucharistie voor de armen en de lijdenden gebeden wordt en dat er wordt opgeroepen tot concrete daden om hun leed te verzachten.

Dionysiusparochie