Sacramenten

De zeven sacramenten
Zevenmaal goddelijk leven

Jezus is het oorspronkelijke sacrament

Het sacrament van het doopsel

We spreken van ‘sacrament’ waar een menselijke werkelijkheid drager wordt van de genade van de Onzichtbare God. Als dat waar is, dan is er eigenlijk maar één sacrament. Of beter slechts één Iemand is sacrament in de volle bekentenis van het woord, Jezus Christus, de Zoon van de levende God. Hij alleen brengt ten volle de Vader. Hij is de boodschap van de Vader in levenden lijve. In Hem is de Vader hoorbaar en zichtbaar geworden.

Wie Mij ziet, ziet de Vader.
Hoe kunt ge dan zeggen: Toon ons de Vader?
Gelooft ge niet dat Ik in de Vader ben
en de Vader in Mij is?
De woorden die Ik u zeg,
spreek Ik niet uit Mijzelf,
maar het is de Vader die,
blijvend in Mij,

Het sacrament van de biecht

zijn werk verricht.
Gelooft Mij:
Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij.
(Joh. 14,9-11)

Het Latijnse woord ‘sacramentum’ betekent: plechtige belofte van trouw in een gewaarborgd teken.

Jezus is Gods gewaarborgde belofte van trouw zelf. Als we verder zullen spreken van ‘zeven sacramenten’ zullen we ze nooit kunnen losmaken van het mysterie van de menswording van Jezus. Wat wij nu kunnen ervaren, is bij Hem begonnen. Wat Hij tijdens zijn aardse leven deed, doet Hij nu nog voor ons in de zeven sacramenten.

Het sacrament van de communie

Ik ben met u, alle dagen
tot aan de voleinding van de wereld.
(Mt. 28,20)

“Ik zal jullie niet als weeskinderen achterlaten”

Dat heeft Jezus beloofd na zijn verrijzenis. Waar is Hij nu te vinden? Jezus is aanwezig en leeft voort in de gelovige gemeenschap. De kerk is zijn lichaam. De Geest, die Hij gezonden heeft, maakt de kerk tot het grondsacrament van Christus.

Dat de kerk sacrament is, betekent méér dan zeggen dat ze de zeven sacramenten toedient. Een man houdt niet enkel van zijn vrouw op de ogenblikken dat hij haar een geschenk geeft. Neen, het geschenk is de ‘verdichting’ van zijn voortdurende liefde. Zo is het ook met de kerk.

We zullen dus de zeven sacramenten nooit kunnen losmaken van het mysterie van de kerk.

“Zeven is voldoende …”

Het sacrament van het vormsel

Het is binnen die kerk dat Christus komt via de zeven sacramenten. Het zijn genadegaven, gericht naar concrete levenssituaties. Telkens spreekt Christus er zijn trouw uit, zijn liefde, zijn verlossende nabijheid.

Omdat de Heer door mensen wil herkend worden, komt Hij hen op menselijke wijze nabij: in woord en gebaar. Dat zijn de twee dimensies van ieder sacrament.

De Heer kiest niet om het even welk gebaar om zijn trouw te waarborgen. Hij kiest sprekende menselijke handelingen: maaltijd houden, wassen met water, zalven met balsem, handen opleggen, vrijspreken, aanstellen en huwen.

Bij monde van de bedienaar voegt de kerk altijd een woord aan het gebaar toe: “Dit is mijn Lichaam” of “Ik doop je” of “Ontvang het zegel van de heilige Geest” of “Ik ontsla je van je zonden”.

Dit woord, in de naam van Christus gesproken, maakt de menselijke gebaren tot dragers van de boodschap en de genade van de Onzichtbare. Dit woord geeft de goddelijke garantie bij het menselijke gebaar.

De zeven sacramenten: eigenlijk zes plus één

Het sacrament van het huwelijk

Zeven sacramenten op een rij? Toch niet helemaal. Niet zonder reden noemt de gelovige gemeenschap de eucharistie: ‘het heilige sacrament’.

De eucharistie is het hoofdsacrament, het belangrijkste sacrament, de meest directe deelname aan het leven van de verrezen Heer én de meest directe deelname aan het leven van de gelovige gemeenschap. We ontvangen er het Lichaam van Christus, het levende Brood. De eucharistie is ook het sacrament, waarvan woorden en gebaren het duidelijkst aansluiten bij het optreden van de aardse Jezus. Bij het laatste avondmaal heeft Hij de eucharistie ingesteld (Mt. 26,26-29; Mc. 14,22-25; Lc. 22,15-20; 1 Kor. 11,23-25).

Samen met de eucharistie wordt ook het doopsel tot de ‘grote sacramenten’ gerekend: de eerste opneming in het leven van God en in de gelovige gemeenschap. Voor het doopsel vinden we in het evangelie volgens Matteüs een uitdrukkelijke opdracht van de verrezen Heer (Mt. 28,19).

De andere sacramenten zijn een ontvouwing van de belofte van Gods trouw, toegepast op belangrijke momenten in de kerkgemeenschap en in het persoonlijke leven van haar leden. De gave van de Geest bij de opneming als medeverantwoordelijk lid van de kerk: het vormsel. Voor wie een bijzondere zending aanvaardt in de gelovige gemeenschap: de wijding en het huwelijk. En waar het leven bedreigd wordt door ziekte of gewond is door zonde, geeft God zijn reddende aanwezigheid in de sacramenten van de ziekenzalving en de verzoening (biecht).

Zijn de sacramenten door Christus ingesteld?

Het sacrament van het priesterschap

Voor de eucharistie vinden we in het Nieuwe Testament een uitdrukkelijk instellingsverhaal. En na zijn verrijzenis heeft de Heer woordelijk de opdracht gegeven te dopen. Toen verleende Hij ook aan zijn apostelen de volmacht om zonden te vergeven (Joh. 20,22-23). Voor de overige sacramenten geeft de Schrift geen zo duidelijk instellingsbericht. Toch heeft de kerk door de eeuwen heen gezegd dat Christus de sacramenten heeft ingesteld. Hoe kunnen we die uitspraak begrijpen?

Gebeurt er iets bijzonders in de sacramenten?

De vraag naar de ‘instelling’ is niet alleen een historische vraag. Ze is ook een vraag naar de betrouwbaarheid van de sacramentele tekenen: Wie staat er borg dat de sacramenten écht iets ‘doen’? Er is niet enkel de vraag: “Heeft Christus ze toen ingesteld?”, maar evenzeer: “Staat hij nu ‘achter’ de sacramenten?”

Die vraag wordt door de kerk ondubbelzinnig beantwoord: Christus heeft de sacramenten van de kerk gewild en Hij waarborgt ieder sacramenteel teken. Hij zelf is het die nu doopt. Hij vormt nu. Hij offert zichzelf ook nu aan de Vader. Hijzelf vergeeft de zonden. Hijzelf zalft zieken tot redding. Hijzelf deelt zijn volmacht mee in de wijding. Hijzelf bekrachtigt het huwelijksverbond.

Kortom: Christus doet nu in de sacramenten, wat Hij deed tijdens zijn leven op aarde. Hij staat aan de oorsprong van de sacramenten. Toen én nu.

De kerk is ‘belast met het beheer van Gods geheimen’ (1 Kor. 4,1). Zij bezit de sacramenten niet in eigendom. Zij bedient ze niet uit haar eigen kracht. Maar zij moet de door Christus gewaarborgde genadegaven uitdelen aan de mensen.

“Belast met het beheer van Gods geheimen”

Het sacrament van de ziekenzalving

Zij moet ervoor zorgen dat Christus verder hoorbaar en zichtbaar is, dat mensen van iedere tijd op het aanbod van Christus kunnen ingaan, dat zij opgenomen worden in het paasmysterie van Christus… opdat ‘God alles in alles zou zijn’ (1 Kor. 15,28).

Wie door de Geest bezield is, kan niet zwijgen. Sacramenten zijn daarom ook nooit gesloten privé-vieringen. De genade wordt wél aan ieder persoonlijk toegezegd, maar ze moet ook worden doorgegeven. Elk sacrament is deelneming aan de zending van Christus: naar een nieuwe wereld van liefde en gerechtigheid, van vrede en geluk.