Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Uit de verhandeling van de heilige Ireneüs, bisschop van Lyon († ca. 202), ‘Tegen de ketterijen’

De zending van de heilige Geest

Met de volgende woorden gaf de Heer aan zijn leerlingen de macht om mensen te doen herboren worden in God: ‘Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest’ (Mt. 28, 19).

God had immers via de profeten beloofd deze heilige Geest in de jongste tijden uit te storten over slaven en slavinnen, opdat zij zouden profeteren. Daarom ook daalde de heilige Geest neer op Gods Zoon, die de zoon van een mens was geworden; in Hem raakte de heilige Geest gewend in het menselijk geslacht te wonen, onder de mensen te rusten en te verblijven in het schepsel van God; hierdoor kon de heilige Geest in hen de wil van de Vader vervullen en het oude leven van hen vernieuwen tot het nieuwe leven van Christus (vgl. Rom. 7, 6; Ef. 4, 22-23).

Lucas zegt dat deze heilige Geest na de hemelvaart van de Heer met Pinksteren op de leerlingen is neergedaald; Hij heeft de macht om alle volkeren binnen te leiden in het leven en in de geheimen van het Nieuwe Testament. Vandaar ook dat de leerlingen eensgezind in alle talen een loflied ter ere van God zongen. Zo gebeurde het dat de heilige Geest de meest uiteenlopende stammen tot eenheid bracht en dat de eerstelingen die geofferd werden aan de Vader uit alle volkeren kwamen.

De Heer beloofde dat Hij de Trooster zou sturen opdat deze ons zou voorbereiden op de ontmoeting met God. Zoals immers zonder vocht uit droge tarwe niet één deeg kan ontstaan en niet één brood, zo konden wij met zijn allen niet één worden in Jezus Christus zonder het water dat uit de hemel komt. En zoals de droge aarde, wanneer ze geen vocht opneemt, geen vrucht draagt, zo zouden wij, die aanvankelijk slechts bestonden uit dor hout, het leven nooit vruchtbaar kunnen maken zonder de gave van de regen van boven.

Immers, zoals ons lichaam de eenheid die leidt tot onbevlektheid heeft verkregen door het waterbad van het doopsel, zo heeft onze ziel haar door de heilige Geest gekregen.

De Geest van God is over de Heer neergedaald, ‘de Geest van wijsheid en inzicht, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en ontzag voor de Heer, de Geest van vrees voor de Heer’ (vgl. Jes. 11, 2-3). De Heer heeft de Geest op zijn beurt aan de kerk gegeven. Vanuit de hemel vanwaar volgens de Heer ook ‘de duivel als een bliksemstraal is gevallen’ (Lc. 10, 18), heeft Hij de Trooster over de hele aarde uitgezonden. Daarom is de dauw van God voor ons noodzakelijk, zodat wij niet verbranden en niet onvruchtbaar worden en ook dáár een Helper hebben waar wij een aanklager hebben. Met die bedoeling heeft de Heer de mens, die aan Hem behoort, toevertrouwd aan de heilige Geest, de mens, die in de handen van rovers was gevallen, maar over wie Hij zelf zich ontfermd had en wiens wonden Hij verbonden had. Hij gaf hem twee koninklijke munten, zodat wij die door de Geest het beeld en het opschrift van de Vader en de Zoon hebben ontvangen, het muntstuk dat ons is toevertrouwd rente laten opbrengen om het in veelvoud aan de Heer terug te betalen.