Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Uit de pastorale constitutie over de kerk in de wereld van deze tijd van het Tweede Vaticaans Concilie

De bevordering van de vrede

Vrede is niet enkel afwezigheid van oorlog. Zij kan ook niet herleid worden tot alleen maar het scheppen van een evenwicht tussen tegengestelde krachten. Zij is evenmin de vrucht van een alles overheersende macht. Integendeel, vrede heet in de ware en eigenlijke zin: het werk van de rechtvaardigheid.

Zij is de vrucht van de orde die in kiem in de mensenmaatschappij aanwezig is dank zij haar goddelijke stichter en die moet ontwikkeld worden door de mensen in hun intens verlangen naar steeds volmaaktere gerechtigheid.

Vrede is nooit iets dat men eens en voor altijd heeft verworven. Want ofschoon het algemeen welzijn van de mensheid in zijn diepste wezen wordt beheerst door de eeuwige wet, in zijn concrete eisen is het, met het verloop van de tijd, onderhevig aan voortdurende veranderingen. Vrede is dus iets waaraan onophoudelijk gebouwd moet worden.

Omdat de menselijke wil zwak is en door de zonde gewond, eist de zorg voor de vrede bovendien van iedereen voortdurende beheersing van zijn hartstochten en vraagt van het wettig gezag voortdurende waakzaamheid.

Dit is evenwel niet voldoende. De vrede kan slechts verkregen worden op aarde als het welzijn van de personen veilig is gesteld. Ook moeten de mensen in wederzijds vertrouwen elkaar spontaan laten delen in de rijkdommen van hun geest en van hun vernuft.

De vaste wil om andere mensen en volken en hun waardigheid te eerbiedigen, alsmede het streven naar werkelijke broederschap, zijn absoluut noodzakelijk voor de opbouw van de vrede.

Zo is de vrede ook een vrucht van de liefde, die nog verder gaat dan wat de rechtvaardigheid vermag.

De aardse vrede die voortkomt uit de naastenliefde, is het beeld en de vrucht van de vrede van Christus die haar bron vindt in God de Vader. De mensgeworden Zoon immers, de Vredevorst, heeft door zijn kruis alle mensen verzoend met God. Hij heeft allen opnieuw tot eenheid gebracht in één volk en in één lichaam. In zijn eigen vlees heeft Hij de haat gedood en, eenmaal verrezen en verheerlijkt, heeft Hij de Geest van liefde uitgestort in het hart van de mensen.

Daarom worden alle christenen dringend opgeroepen om ‘zich aan de waarheid te houden in liefde’ (Eƒ. 4, 15) en zich te verenigen met de werkelijk vredelievende mensen teneinde de vrede af te smeken en tot stand te brengen.

Door dezelfde Geest gedreven, kunnen wij niet nalaten hen te prijzen die bij het opeisen van hun rechten afzien van geweld en hun toevlucht nemen tot verdedigingsmiddelen die ook de zwakkeren ten dienste staan, als dit maar kan gebeuren zonder schending van de rechten en plichten van anderen of van de gemeenschap.