Ter voorbereiding van de viering van de woensdag

Ter voorbereiding van de viering van de woensdag

Uit de verhandeling van de heilige Hilarius, bisschop van Poitiers († 367), over de psalmen

De ware vreze des Heren

Laten wij dit psalmvers overwegen: ‘Gelukkig die godvrezend zijt, de weg des Heren gaat’ (Ps. 128 (127), 1). Telkens wanneer er in de Schrift sprake is van de ‘vreze des Heren’, zal men opmerken dat het nooit blijft bij die ‘vreze’ alleen, alsof zij zou volstaan voor de voltooiing van ons geloof. Altijd voegt de Schrift er iets aan toe, of laat zij er iets aan voorafgaan, waaruit de bestaansgrond én de bekroning van die ‘vreze des Heren’ duidelijk moeten worden. Dat kunnen wij bijvoorbeeld opmaken uit wat Salomo zegt in het boek van de Spreuken (2, 3-5): ‘Als gij de schranderheid tot u roept en tot het inzicht uw stem verheft, als gij ernaar zoekt als naar zilver en speurt als naar verborgen schatten, dan zult gij de vreze des Heren verstaan.’ Hieruit kunnen wij afleiden, langs hoeveel treden men uiteindelijk tot de vreze des Heren geraakt.

Vooraf moet men de schranderheid aanroepen, moeten alle lezing en studie afgestemd worden op het inzicht, en moet men zoeken en speuren naar de wijsheid. Pas dan zal men verstaan wat de ‘vreze des Heren’ inhoudt.

Wat echter de gangbare mening van de mensen betreft, wordt er niet zó gedacht over de ‘vrees’. ‘Vrees’ is dan met name de angst van de kwetsbare mens, die ervoor beducht is dat hem iets overkomt dat hij niet wil. Zulke angst bestaat ongetwijfeld en kan ons vaak aangrijpen: uit schuldbewustzijn bijvoorbeeld, of uit schrik voor de macht van een hogergeplaatste, voor de aanval van een sterkere, wegens ziekte of welk ongeluk dan ook dat ons kan overkomen.

Dergelijke angst hoeft men niet aan te leren: hij wortelt in de zwakheid van onze natuur. Evenmin moeten we leren wat er te vrezen valt: de dingen die men moet vrezen, jagen ons vanzelf de schrik op het lijf.

Maar van de vreze des Heren staat er geschreven: ‘Komt, kinderen, luistert naar wat ik u zeg; ik leer u de Heer te vrezen’ (Ps. 34 (33), 12). De vreze des Heren moet men dus wel leren, en zij wordt ons onderwezen, zij bestaat niet uit angst, maar uit redelijk inzicht. Zij is geen aangeboren schrikken en beven, maar door het onderhouden van de geboden, door een reine levenswandel en door de kennis van de waarheid wordt ze ons bijgebracht. Voor ons berust de vreze des Heren uiteindelijk op de liefde, en haar bekroning is de volmaakte liefde. Onze liefde tot God heeft als haar eigen taken: het opvolgen van zijn raadgevingen, het gehoorzamen aan zijn geboden, het vertrouwen op zijn beloften. Luisteren wij daarom naar de Schrift die zegt: ‘Welnu dan, Israël, wat verlangt de Heer uw God anders van u dan dat gij Hem vreest en zijn wegen gaat, dat gij Hem dient met heel uw hart en heel uw ziel, dat gij de geboden van de Heer onderhoudt? Dan zult gij gelukkig zijn’ (Deut. 10, 12-12).

Er is dus sprake van verscheidene wegen van de Heer, terwijl Hijzelf toch de weg is. Wanneer Hij over zichzelf spreekt, noemt Hij zich ‘de weg’, en de reden daarvan geeft Hij aan met de woorden: ‘Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij’ (Joh. 14, 6). Maar als de profeten in hun geschriften het erover hebben hoe men tot bij de Messias geraakt, dan zijn er vele wegen, die van her en der in die ene weg uitmonden.

Deze twee zaken worden door de profeet Jeremia op een en dezelfde plaats aangegeven, waar hij zegt: ‘Ga op de kruispunten staan en kijk uit. Vraag naar de oude paden, vraag wat de goede weg is en volg die’ (Jer. 6, 16). Naar vele wegen moeten we dus vragen en vele wegen grondig onderzoeken, om die ene weg te vinden die de goede is. Dat wil zeggen: door bij velen in de leer te gaan, zullen wij de enige weg ontdekken die leidt naar het eeuwige leven.