Ter voorbereiding van de viering van de vrijdag

Ter voorbereiding van de viering van de vrijdag

Uit een homilie van de priester Origenes ( † 253/254) over het boek Jozua

Mijn dienaar Mozes is gestorven

Wij moeten nu het sterven van Mozes eens nauwkeurig beschrijven. Als wij immers niet begrijpen hoe Mozes sterft, kunnen wij ook niet begrijpen hoe Jezus regeert.

Houdt nu voor ogen dat Jeruzalem verwoest is, zijn altaar verlaten, dat er nergens meer offers, brand- of plengoffers, nergens meer priesters, nergens meer hogepriesters zijn en dat de levieten nergens meer hun dienstwerk verrichten. Wanneer u dit alles ziet ophouden, dan moet u zeggen dat ‘de dienaar van God, Mozes, is gestorven’ (Joz. 1, 2).

U ziet dat niemand meer driemaal per jaar voor de Heer verschijnt (vgl. Ex. 23, 17), dat niemand meer geschenken in de tempel aanbiedt, geen paaslam meer slacht, geen ongedesemd brood meer eet, geen eerstelingen van de oogst meer aanbiedt en geen eerstgeborene meer offert. Wanneer u ziet dat heel die eredienst niet meer gevierd wordt, dan moet u zeggen dat de dienaar van God, Mozes, is gestorven.

Wanneer u echter ziet dat de volkeren het geloof aannemen, dat er kerken gebouwd worden, dat altaren niet meer met het bloed van schapen besprenkeld worden, maar ‘door het kostbaar bloed van Christus’ (1 Petr. 1, 19) geheiligd worden, wanneer u ziet dat priesters en levieten niet meer ‘het bloed van bokken en stieren’ (Heb. 9, 13) gebruiken, maar het woord van God bedienen door de genade van de heilige Geest, dan moet u zeggen dat Jezus na Mozes de heerschappij heeft aanvaard en in bezit heeft genomen, niet Jezus, de zoon van Nave, ook Jozua genoemd, maar Jezus, de zoon van God.

Wanneer u ziet dat ‘ons paaslam is geslacht: Christus zelf’ (1 Kor. 5, 7) en wij het ongedesemde ‘brood van reinheid en waarheid’ (1 Kor. 5, 8) eten; wanneer u ziet dat de vruchten van de goede aarde in de kerk dertigvoudig, zestigvoudig en honderdvoudig zijn, dat wil zeggen: weduwen, maagden en martelaren; wanneer u het zaad van Israël vermenigvuldigd ziet in hen ‘die niet uit bloed noch uit de begeerte van het vlees of de wil van een man, maar uit God geboren zijn’ (Joh. 1, 13); wanneer u ziet dat ‘de verstrooide kinderen van God’ (Joh. 11, 52) samengebracht worden; wanneer u ziet dat het volk van God de sabbat heiligt, zich niet afwendt van de gemeenschappelijke bekering, maar wel van het bedrijven van de zonde; wanneer u dat alles ziet, moet u zeggen dat ‘de dienaar van God, Mozes, gestorven is’ (Joz. 1, 2) en dat Jezus, de zoon van God, de heerschappij in bezit heeft.