Preek op 30-03-2014, 4e zondag van de veertigdagentijd, jaar A, pastoor Frank Domen

Preek op 30-03-2014, 4e zondag van de veertigdagentijd, jaar A, pastoor Frank Domen

openingswoord

Beste medeparochianen, van harte welkom op deze vierde zondag van de veertigdagentijd, de vastentijd.

We zijn halverwege de vastentijd. Wij hebben nog drie weken voor de boeg. Hebben wij al daadwerkelijk iets aan het vasten gedaan!?

Al zeg ik het zelf: dit jaar lukt het mij vrij goed om me aan mijn vastenvoornemens te houden. Eén van mijn kleinere voornemens betreft de zonnepanelen. Op mijn bureau staat een draadloos meterkastje waarop ik kan zien hoeveel stroom er op een dag is gewonnen, hoeveel geld wij daarmee hebben uitgespaard, hoeveel minder CO2 is uitgestoten. En vooral nu de dagen langer worden, wordt het ene record na het andere gebroken. Maar, ik heb al drie weken lang niet gekeken en ik doe dat pas weer op dinsdag 8 april, dan is er kerkbestuursvergadering. Ik breng een klein offertje door mijn nieuwsgierigheid te bedwingen. Daar kun je geestelijk sterker van worden en je hebt God ook iets aan te bieden ter verzoening van je eigen zonden en die van de wereld. Wij mogen God ook vragen er iets tegenover te stellen, bijvoorbeeld zijn zegen voor een kind of kleinkind, dat hoe dan ook in moeilijkheden verkeert. Oprecht vasten geeft altijd reden tot blijdschap.

Eelke Ligthart en Frank Kamp en ik hebben de afgelopen week een Pastoraal Congres in Helvoirt bezocht. Eén van de sprekers vertelde over de Arkgemeenschap van Jean Vanier, een katholiek filosoof en humanitair activist uit Canada. De Ark is een gemeenschap, die leeft met en voor gehandicapte mensen. Op een goede dag voelde Jean Vanier zich door God geroepen om met gehandicapten te gaan samenleven. Hij kocht een huisje en vanuit een instelling kreeg hij toestemming om met een paar gehandicapten te gaan samenwonen.

Zijn werk groeide uit. Er kwamen meer gehandicapten en gelukkig ook meer medewerkers. Nadat hij tegenover derden een aantal keren had verteld over de wordingsgeschiedenis van de Arkgemeenschap, kreeg hij van een aantal medewerkers een beetje op z’n kop: wat hij vertelde was niet helemaal de waarheid. Hij sprak namelijk van twee gehandicapten met wie hij de Arkgemeenschap was begonnen. Maar in werkelijkheid ging het er om drie. Die derde echter was al de eerste nacht niet te handhaven. Hij veroorzaakte voortdurend problemen en Jean moest hem al de volgende dag terugbrengen. Dit stukje kwetsbaarheid durfde Jean aanvankelijk niet te laten zien.

Maar waarom niet!? Wij zijn kleine en dus kwetsbare mensen. Als wij dat erkennen, komt God ons tegemoet om ons in het dagelijkse leven te helpen.

Laten wij niet bang zijn om in de schuldbelijdenis onze kwetsbaarheid uit te spreken. Naarmate wij dat met meer oprechtheid doen, komt God ons met grote stappen tegemoet.

openingsgebed

Laat ons bidden. Heer, onze God, niet voor het duister hebt Gij ons gemaakt, niet voor de dood, maar voor het licht dat in de wereld is gekomen: Jezus, de Heer. Wek ons uit de slaap van het ongeloof, genees ons, open onze ogen, breng ons naar het licht dat alle mensen redding brengt: Jezus Christus, uw Zoon. Die met U leeft en heerst… Amen.

preek

Broeders en zusters, wij, mensen, hebben over veel zaken een eigen mening. En dat is ons goed recht. Ook God heeft een eigen mening. En… zijn mening wijkt weleens af van die van ons. Tegen bepaalde zaken, vooral als het om mensen gaat, kijkt Hij op een andere manier aan als wij.

In de eerste lezing horen wij hoe de profeet Samuël wordt opgeroepen naar mensen te kijken met de ogen van God. En als hij dat doet, ziet hij dat hij beter David tot koning kan zalven, de jongste en de zwakste, dan dat hij één van die grote en sterke zonen zalft.

Soms kijken wij naar – en verkijken ons op – het uiterlijk vertoon, de status, de titel, die iemand draagt, de positie, die hij bekleedt. Wij allemaal zijn soms een beetje blind, verblind. Zoals de Farizeeën van toen. Die konden in Jezus Christus – de zoon van een timmerman – geen profeet zien en zeker geen Messias, de Gezalfde van God. Dat Hij ‘maar uit Nazaret’ kwam en niet eens had gestudeerd, maakte hen blind voor die mogelijkheid. Bovendien, hoe zou iemand, die de sabbatsrust niet in acht nam, uit Naam van God kunnen spreken? Nee, dat kon niet.

Hoe anders was het gesteld met die man langs de kant van de weg. Hij was blind geboren. Daar konden noch hij, noch zijn ouders, iets aan doen.

Maar die godgewijde en hooggeleerde heren zijn volgens Johannes blind geworden door eigen schuld. Zij weigeren te zien wie en wat Jezus Christus is. En dat een blinde – volgens hen in zonde geboren – hen de les leest, is werkelijk ongehoord! Hoe kan zo’n simpele jongen hun – geleerde en geletterde mannen – iets zinnigs te melden hebben over God!? God spreekt toch alleen maar door hen, die daarvoor gestudeerd hebben of die daarvoor zijn aangesteld!?

Met al hun geleerdheid zijn ze blijkbaar die verhalen vergeten, waaruit blijkt, dat God op een andere manier naar mensen kijkt. In het verhaal van de blindgeborene horen wij inderdaad het verhaal van een gewone man. En zowel in de geschiedenis van het oude volk van God – de Joden – als in de geschiedenis van het nieuwe volk van God – de christenen – zien wij hoe God eenvoudige mensen roept om grote werken tot stand te brengen.

In het Oude Testament zien wij bijvoorbeeld Gideon. Hij komt van een arme familie en is de jongste van het gezin. Maar híj bevrijdt Israël uit de macht van de vijanden. Kijken wij meer in onze tijd naar de pastoor van Ars, die geminacht werd om zijn schamele studieresultaten, maar uiteindelijk één van de grootste biechtvaders is geworden. Of Bernadette Soubirous, dat 14-jarige Franse meisje, die vanuit de hemel nu nog steeds miljoenen mensen in Lourdes samenbrengt.

In onze tijd – en alle tijden – zijn er altijd mensen blind voor de grote dingen van God, die vooral in het kleine te vinden zijn. Een handvol water, geen mens of dier, die er wat aan heeft, maar tijdens het doopsel maakt het iemand tot kind van God. Een klein stukje brood, het kan je honger niet eens een beetje stillen, maar tijdens de heilige Eucharistieviering is het het leven van de Zoon van God. Er zijn miljoenen boeken, maar dat ene boek, de Bijbel, de heilige Schrift, bevat woorden van eeuwig leven.

Broeders en zusters, in de tweede lezing van vandaag horen wij hoe wij vroeger – voordat God in ons leven kwam – in duisternis leefden – en hoe wij nu zelf licht zijn geworden… door onze gemeenschap met de Heer. En Paulus roept ons dan ook op te mijden alles wat met dat licht strijdig is. Hij vraagt ons zelfs alles wat duister is aan het licht te brengen.

Twee weken geleden, op de tweede zondag in de veertigdagentijd, hebben wij die prachtige gebeurtenis op de berg Thabor mogen meevieren. Hoe Jezus vol licht was, zijn kleren verblindend wit werden. Datzelfde licht is ook in ons. Ook onze levensweg wordt door een goddelijke lamp verlicht. Ook ons soms droevige hart wordt door dit goddelijk vuur verwarmd… als wij het maar willen zien… als wij het maar willen voelen. Zijn wij niet blind voor de grote goddelijke gaven. Wij vinden onszelf misschien eenvoudig en onbeduidend, onbekend in de grote wereld, maar wij dragen een onuitputtelijke rijkdom in onszelf. Zien wij het licht in ons. Zien wij het licht in de ander.

Nog even een andere kwestie, die alles met ons vasten te maken heeft. Op verzoek van het bisdom volg ik, samen met tien andere priesters, een managementtraining in Heiloo. Drie keer twee dagen. In juni is de laatste sessie. Ons is geleerd, dat het vanaf een bepaalde leeftijd moeilijker wordt om verkeerde gewoontes af te leren – ze kunnen diep ingeworteld zitten – maar het is wel goed mogelijk om het goede in ons – de deugden – verder uit te bouwen. Maar dan moet je wel weten welke jouw sterke kanten, welke jouw deugden, zijn!

Eens kwam er een gezin biechten en ik vroeg de kinderen – de oudste was achttien jaar – welke hun goede eigenschappen zijn. Met die te benoemen hadden zij meer moeite dan met het noemen van hun zonden. Het is belangrijk je zonden te kennen, misschien dat we er nog iets aan kunnen doen. Maar wij kunnen de resterende weken van de veertigdagentijd ook gebruiken om te bedenken welke onze sterke kanten zijn en hoe wij die kunnen uitbouwen.

Wij zouden ons dit kunnen voorstellen als een voetbalveld met twee speelhelften. De ene helft is voor de goede eigenschappen, de andere voor onze verkeerde gewoontes. Als wij de goede verder uitbouwen, meer ruimte geven in ons dagelijkse leven, blijft er op den duur vanzelf steeds minder speelruimte over voor de verkeerde gewoontes. In plaats van de verkeerde gewoontes te bestrijden – wat meestal in onze Katholieke Kerk werd gepromoot – kunnen wij beter tijd en energie geven aan het herkennen en uitbouwen van de goede gewoontes. Kinderen vraag ik na de biecht weleens om een e-mailtje te sturen met drie goede gewoontes.

Denken wij er de komende week over na. Wij hoeven geen verslag uit te brengen, maar laten we het wel doen. Laten we niet blind zijn voor het feit, dat onze goede eigenschappen talenten zijn, die wij van God hebben ontvangen en waarvan Hij verwacht, dat wij er ijverig mee aan de slag gaan. Amen.

Dionysiusparochie