Preek op 28-09-2014, 26e zondag door het jaar A, pastoor Frank Domen, 

Preek op 28-09-2014, 26e zondag door het jaar A, pastoor Frank Domen,

openingswoord

Broeders en zusters, welkom bij deze heilige Eucharistieviering, het liefdemaal van Onze Heer Jezus Christus.

De apostel Paulus zegt ons vandaag in de tweede lezing, dat – als wij ook maar iets begrijpen van wat gemeenschap van Geest is, van wat hartelijkheid en medelijden is – dat wij hem dan blij kunnen maken door onze eenheid van denken, onze eenheid in de liefde en eensgezindheid.

Hoe kunnen veel verschillende mensen tot eenheid komen? Door het recht van de sterkste te volgen? Dan komt er nooit liefde. Het kan alleen als velen hun eigenbelang niet op de eerste plaats stellen en luisteren naar Wie boven hen staat: God, onze Vader, Jezus Christus, onze Heer, de heilige Geest, onze Levendmaker. Als iedereen de wil van God doet, zijn allen gelukkig.

Vragen wij God, dat wij steeds meer zo mogen leven – en vooral – dat wij de wil en de wijsheid en de kracht mogen hebben om ook steeds meer andere mensen op deze weg te kunnen meenemen, dat wij ook in onze eigen omgeving een missionaire Kerk kunnen zijn.

openingsgebed

Laat ons bidden. Heer, Gij spoort ons aan de wegen te betreden, die recht naar U toe leiden. Wij willen wel het goede, maar missen vaak de kracht om ons af te wenden van het kwaad. Breng ons tot inkeer; geef dat wij onszelf niet beter achten dan de anderen en tegenover iedereen rechtvaardig zijn. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon … . Amen.

preek

De vraag is wie de wil doet van de Vader. Kinderen zijn soms geneigd om “nee, ik wil niet” te zeggen. En misschien hebben Nederlanders over het algemeen wel een beetje last van opstandigheid. Als de Paus iets zegt of een politieagent, zijn sommige mensen geneigd te zeggen: “Dat maak ik zelf wel uit!” Zij houden niet zo van gezag.

Ook in onze Katholieke Wereldkerk zijn er mensen, die op de eerste zoon lijken: ja zeggen en nee doen. Mensen, die gedoopt zijn en ooit hun Eerste Heilige Communie hebben gedaan, hun eigen kinderen hebben laten dopen, gelukkig, maar die zelden of nooit iets voor God en de Kerk doen.

Nu leven deze jonge ouders wel in een moeilijke tijd. De invloeden van de wereld op hun leven zijn enorm en – laten we eerlijk zijn – de kracht, die van de Kerk uitgaat is wel weer groeiende, maar nog niet heel groot.

Wie zou nu het middelpunt van mijn leven en van de maatschappij moeten zijn? Vroeger was het de pastoor en de burgemeester en de dokter. Zijn het nu onze regeringspartijen? Vandaag deze partijen en over een paar jaar weer andere met weer een ander programma?

Of ben ik het middelpunt? Ik, met mijn goede kanten, maar ook met al mijn fouten en gebreken? Met mijn gebrekkige inzichten? Moet alles en iedereen zich richten naar mij? Of omgekeerd: moet ik mij richten naar wat ‘men’ denkt?

Of zou God in het centrum moeten staan? Hij, die alwetend en almachtig is? Hij, die beter dan wie ook weet welke weg wij het beste kunnen gaan en die ook de mogelijkheden heeft om het goede te realiseren? Hij, van wie wij deze mooie wereld en ons leven hebben gekregen en tot Wie wij uiteindelijk eens zullen terugkeren? Hij, die ons om slechts één reden heeft geschapen, namelijk om voor altijd te kunnen delen in zijn volmaakte geluk?

Wij, mensen, zijn sociale wezens. Wij hebben de ander en elkaar nodig om gelukkig te kunnen zijn. Mensen, die zich opsluiten in zichzelf, zijn niet echt gelukkige mensen. Wij leren het meeste van anderen. En alleen zijn mag dan wel in zijn, in onze tijd zijn nogal wat mensen depressief, angstig en eenzaam, zelfs vele jongeren. Zij hebben geen sociale controle nodig, maar wel, dat zij door anderen gedragen en ondersteund worden. Onze geloofsgemeenschap moet zo met elkaar en ook met ‘buitenstaanders’ omgaan, dat zij zich bij ons veilig voelen, gedragen, geborgen, dat zij zich geliefd voelen. En ook al zijn sommige mensen nog niet gedoopt, wij zouden hen eigenlijk überhaupt niet als ‘buitenstaanders’ moeten zien. Alle mensen in de wereld vormen één grote familie en het is belangrijk, dat wij anderen dat besef bijbrengen, het hen laten ervaren.

Sommige mensen kunnen wel denken, dat zij zonder God gelukkig zijn, maar in feite zijn zij ontheemd, vervreemd van hun diepste zelf, van God, die hun oorsprong is. Zij zijn vervreemd van de Bron van alle leven.

Wij, gelovige mensen van de Dionysiusparochie, weten, dat wij niet gelukkiger worden als wij onszelf van God afwenden. Misschien hebben wij dat zelfs weleens tot onze schande moeten ervaren!? Dat is dan een wijze levensles geweest.

Als christenen proberen wij ons eigen ik op de tweede of zelfs op de derde plaats te zetten: éérst God, dan onze medemens en dan wijzelf. En dat vinden wij niet erg, want wij weten, dat Jezus Christus heeft gezegd, dat de laatsten de eersten zullen zijn. Niet dat wij uiteindelijk per se de eersten willen zijn. Nee, wij weten, dat als alle mensen, of het merendeel van de mensheid, zichzelf op de laatste plaats zet, vele oorzaken tot spanning als sneeuw voor de zon verdwijnen, er meer vrede in de wereld komt. Wie op de laatste plaats gaat staan, zet de deur van zijn hart wijd open voor de ander.

Jezus Christus heeft gezegd, dat er geen groter gebod is dan dat van de liefde. En Gods liefde gaat altijd vooraf aan de onze. Hij was er eerder dan wij. Hij kende ons eerder dan dat wij Hem hebben leren kennen. Hij heeft ons uitgekozen. De wil van de Vader doen is dan ook allereerst je laten beminnen. En als je je laat beminnen, ga je vanzelf van anderen houden. De wil van de Vader is liefhebben. Niet te veel praten over geboden en voorschriften, niet te veel discussiëren, maar doen, in de praktijk beminnen. Naar je medemensen gaan, naar ze luisteren en ze waar mogelijk helpen.

Je kunt de wil van de Vader alleen maar doen als je niet eigengereid bent. Als je begrijpt dat voorschriften – zoals de vader in het evangelie die had, dat zijn jongens moesten werken in zijn wijngaard – er niet zijn om ons het leven zuur te maken, maar om ons en elkaar te helpen, te beschermen.

Die tweede zoon is dat op een gegeven moment gaan begrijpen. Eerst wilde hij niet de wil van zijn vader doen. Maar opeens sprong er een vonkje over en begreep hij de liefde van zijn vader. En ging toch voor hem werken. Werken is misschien niet altijd even leuk. Maar werken is goed. Werken moet. Wij moeten allemaal naar vermogen onze bijdrage leveren. Voor een betere wereld. Voor een stukje zelfrespect ook.

Laten wij steeds beter luisteren. Naar God, naar de Kerk, naar elkaar, naar ons eigen hart ook. Als wij goed en eerlijk luisteren, iedere dag weer, en ernaar handelen, komen wij steeds dichter bij God en bij elkaar.

En, lieve mensen, proberen wij andere mensen mee te nemen, ook niet-gelovige mensen. Bidden wij voor hen. Offeren wij onze kruisjes voor hen op om zo ons gebed kracht bij te zetten. Proberen wij hen dan bij de hand te nemen, zoals God ons bij de hand heeft genomen. Eén grote, lange ketting van goedwillende mensen. Als wij niet met de armen over elkaar blijven zitten, maar bidden én werken aan de vrede, zal ook God niet werkeloos toekijken, maar ons helpen. God wil niets liever dan helpen, maar Hij wil niets opdringen. Hij wil gevraagd worden. Amen.

Dionysiusparochie