Preek op 16-11-2014, 33e zondag door het jaar A, pastoor Frank Domen,

Preek op 16-11-2014, 33e zondag door het jaar A, pastoor Frank Domen, 

openingswoord

Broeders en zusters, welkom bij deze Eucharistieviering op de 33e zondag door het jaar. Volgend weekend vieren wij met het hoogfeest van Christus, Koning van het Heelal alweer de laatste zondag van het kerkelijk jaar. De zondag daarop is de 1e zondag van de advent en gaan wij ons vier weken lang voorbereiden op Kerstmis, het feest van de Menswording van onze Heer. Onze koren zijn alweer druk aan het oefenen.

Als wij kijken naar heel kleine kinderen, baby’s en peuters, dan zijn er veel zaken waarvan zij zich niet bewust zijn, maar ze gebeuren wel… voor hen, vooral door vader en moeder, opa en oma.

Maar ook grotere kinderen hebben niet altijd een idee van wat vader en moeder doen. Dat ze een goede ziektekostenverzekering hebben afgesloten, dat ze nu alweer een beetje sparen voor de vakantie van volgend jaar. Wij merken allemaal weleens, dat iemand iets voor ons heeft gedaan en op dat moment zelf wisten wij het nog niet.

Zo, beste medegelovigen, is het ook met God en ons. Hij doet van alles voor ons, en van het meeste hebben wij geen weet. Soms denken wij misschien ook wel: “Ik heb het zo moeilijk en wat doet Hij nu voor mij?”

Het is een kwestie van vertrouwen. Zoals vader en moeder vol liefde zijn voor hun kinderen en kleinkinderen, zo heeft God nóg meer liefde voor ons, dag en nacht, zonder één momentje van onderbreking. Vertrouwen wij op de goedheid van God, zoals kinderen vertrouwen op de goedheid van hun ouders.

openingsgebed

Laat ons bidden. Eeuwige en almachtige God, de liefde waarmee Gij ons omringt, geeft aan de blijde en droeve dagen hun volle zin. Alles wat wij van de morgen tot de avond doen, nodigt ons uit met veel vertrouwen naar U op te zien. Geef ons de kracht U trouw te dienen, zodat wij zonder vrees eens mogen getuigen dat wij alles behartigd hebben wat Gij ons hebt toevertrouwd. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon… . Amen.

kinderwoorddienst

preek

Broeders en zusters, er is in onze wereld veel wantrouwen, tussen mensen, volken of bevolkingsgroepen. Zo was er jaren een groot wantrouwen tussen Oost en West. Een Koude Oorlog, die overigens weer lijkt terug te keren. In landen als Zuid-Afrika rommelt het nog steeds tussen blank en zwart. En in ons eigen land is er wantrouwen tussen autochtonen en allochtonen, mensen van hier en mensen van elders. Bijvoorbeeld naar aanleiding van goedkopere buitenlandse arbeidskrachten.

Soms is het wantrouwen te begrijpen en soms is het terecht, dat je op je hoede bent. Maar vaak is wantrouwen iets rampzaligs: in een huwelijk, tussen ouders, tussen ouders en kinderen of tussen collega’s. Wantrouwen maakt meer kapot dan je lief is. Zo ook tussen buren, dorpsgenoten en geloofsgenoten. Wantrouwen doet geen goed aan de verhouding tussen mensen. Zij bewerkt dat mensen – soms heel langzaam en ongemerkt – uit elkaar groeien.

Beste medegelovigen, het gaat in onze liturgische teksten – de teksten van de heilige Mis – vaak over ons vertrouwen op God. Maar vandaag gaat het eens over Gods vertrouwen in ons. God wantrouwt ons niet. Integendeel, Hij heeft alle vertrouwen in ons. En vanuit dat vertrouwen heeft God ons, zo vertelt Jezus Christus, zijn bezit toevertrouwd.

In het evangelieverhaal vertelt Jezus ons over een man, die op reis gaat naar het buitenland. Hij vertrouwt zijn bezit toe aan zijn dienaars, al naargelang hun capaciteiten. Maar zelfs degene, die slechts één talent heeft gekregen, heeft enorm veel, want één talent is 6000 denaries en dat is voldoende voor een gemiddeld gezin om 6000 dagen van te leven.

En zoals deze man zijn bezit heeft toevertrouwd aan zijn dienaars, zo vertrouwt God ons zijn bezit toe. Hij heeft ons zijn aarde in handen gegeven en die wereld moeten wij, ieder met zijn of haar eigen mogelijkheden, zien te maken tot het Rijk van God.

Hij heeft ons ons eigen leven gegeven om er zelf van te genieten, maar ook om het op het einde van ons leven geestelijk verrijkt aan Hem terug te geven.

God heeft ons ook allerlei capaciteiten gegeven. Niet alleen om mooie dingen te maken, het talent om orgel te spelen en samen te zingen, maar ook om medemensen, die het moeilijk hebben, te kunnen bijstaan: het vermogen om te luisteren en te troosten, om moed in te spreken, om te sterken en aan te sporen.

Of om mensen te redden. Afgelopen donderdag wilde een 16-jarig meisje in Alkmaar van een 15 meter hoge stelling springen. Een agent wist haar ongemerkt te naderen en juist voor de fatale sprong, wist hij haar bij haar middel vast te grijpen.

En ja, God heeft ons ook gegeven wat Hem het meest dierbaar is: zijn Zoon en al onze andere medemensen. God heeft ons aan elkaar gegeven als zijnde zijn dierbaarste bezit. We zijn één grote familie, verantwoordelijk voor elkaar.

En of iemand van ons nu veel heeft meegekregen of wat minder, niemand van ons mag stilzitten. Wij hoeven onze eigen talenten niet te wantrouwen. Wij mogen niet lui zitten toekijken hoe anderen òf onze wereld verpesten òf haar mooier maken. Wij mogen ons talent, ook al is het er misschien maar één, niet ongebruikt begraven. Wij moeten er iets mee doen ter ere van God en tot welzijn van onze naaste. Ook als wij maar weinig hebben, kunnen wij groot zijn in het kleine. En… vele kleintjes maken één grote.

Er was ooit een Engels parlementslid, dat op een ietwat hooghartige toon de volgende opmerking tegenover iemand plaatste: “Ik geloof, dat uw vader nog de schoenen heeft gepoetst van mijn vader”. Waarop de ander antwoordde: “Daar schaam ik mij niet voor. Ik zou me pas schamen als hij het niet goed had gedaan”.

En zo is het! God zal strakjes, wanneer wij om de beurt voor de rechtersstoel moeten verschijnen, niet vragen wát wij hebben gedaan, hoog of laag, in Kerk of maatschappij. Hij zal ons vragen of wij ons werk met de nodige inzet hebben gedaan en of wij onze talenten – veel of weinig – met liefde hebben gebruikt voor de uitbreiding van het Koninkrijk van God.

En zijn Koninkrijk is: een wereld waar zorg is voor elkaar, waar grote eerbied is voor de ons toevertrouwde schepping en waar vrede en gerechtigheid is tussen allerlei mensen en volken. En waar – eigenlijk op de eerste plaats – God de eer krijgt, de dankbaarheid, die Hem toekomt.

Telkens als wij – hoe klein of hoe onopvallend ook – Gods Koninkrijk een beetje dichterbij brengen door onze talenten te gebruiken, iedere keer, dat wij ons hart en onze handen, onze tijd, geven aan anderen, zijn wij – wat de apostel Paulus in de tweede lezing van vandaag noemt – ‘kinderen van het licht’.

Kinderen van het licht graven hun talenten niet in uit gemakzucht, angst of zelfbehoud en ze stellen het ook niet almaar uit om goed te doen, want de dag dat je je verantwoorden moet, kan komen als een dief in de nacht.

Doe dus wat je kunt, leert ons het evangelie van vandaag, God rekent op je én… doe het vandaag. Nu hebben wij nog tijd van leven. En anderen, die onze hulp nodig hebben, wachten op ons.

Dionysiusparochie