Preek op 16-02-2014, 6e zondag door het jaar A, pastoor Frank Domen

Preek op 16-02-2014, 6e zondag door het jaar A, pastoor Frank Domen

openingswoord

Broeders en zusters, allemaal van harte welkom weer bij deze heilige Eucharistieviering. Zoals wij de afgelopen week allerlei mensen hebben ontmoet, met hen hebben gesproken, hen hebben geholpen of zij ons, zo mogen wij nu ook weer onze Heer Jezus Christus ontmoeten. Wij zijn hier om Hem te eren en Hij is hier om ons te helpen.

Er zijn van die uitspraken, die ons meteen aan een of andere instantie doen denken. Het gezegde “Gemakkelijker kunnen wij het niet maken” doet ons denken aan de Belastingdienst. Naar aanleiding van het ietwat streng klinkende evangelie van vandaag moest ik denken aan een gezegde, dat ik niet meer precies kende: “Mag het een beetje meer zijn!?” In Hugo Oord vroeg ik tijdens de heilige Mis aan de bewoners hoe het zit en een van hen antwoordde, dat dit gezegde uit het slagerswezen komt: “Mag het een onsje meer zijn!?”

Wel, hier gaat het om in het evangelie van deze zondag. Gods geboden onderhouden is heel goed, maar wij mogen gerust een beetje meer doen. Wie enkel Gods geboden onderhoudt, doet geen kwaad, maar doet ook geen goed. Wij, christenen, moeten meer doen dan ons op een minimale wijze inzetten: niet alleen het kwade nalaten, maar ook heel bewust kiezen voor het goede.

Voor de keren dat onze liefde minimaal is geweest en wij zodoende anderen toch tekort hebben gedaan, mensen in wat voor noodlijdende omstandigheden ook hadden misschien behoefte aan een beetje extra aandacht en zorg, vragen wij samen om vergeving.

openingsgebed

Laat ons bidden. Heer onze God, in ieder mensenhart hebt Gij de vrijheid neergelegd. Laat ons deze vrijheid niet misbruiken om te zoeken naar wat ons behaagt, maar laat haar opbloeien tot een antwoord op uw geboden; wek in ons de gezindheid van uw Zoon, die tot voltooiing heeft gebracht al wat geschreven staat: Jezus Christus onze Heer. Die met U leeft en heerst … . Amen.

preek

Het woordje ‘Farizeeën’ betekent bij de joden: de ijverigen, de toegewijden. God dienen was in het joodse denken een kwestie van de wetten van God, de Thora – door Mozes aan hen gegeven – zo goed mogelijk onderhouden. De Farizeeën hadden zich de taak toegeëigend om die leefregels te bestuderen ten einde goed te weten waar men zich aan moest houden om God naar behoren te kunnen dienen.

Op zich gaan het om een goede zaak, maar je kunt het ook fanatiek aanpakken. Dan veranderen inzet en dienstbaarheid in fanatisme. En fanatisme is altijd voor iedereen schadelijk, ook voor de fanatiekelingen zelf. Daarom ook dat Jezus voortdurend problemen had met de fanatieke Farizeeën. Om een voorbeeld te geven: de joodse sabbat – en dus ook de sabbatsrust – begint op vrijdagavond om ongeveer 17.00 uur. Om te voorkomen dat je per ongeluk, door omstandigheden, te laat met de sabbatsrust begint, kun je beter een uur eerder beginnen. Dan zit je altijd goed. Zo maakten de Farizeeën de wetten uitgebreider en strenger en dus voor de mensen steeds moeilijker. Alsof God met een horloge met secondewijzer kijkt of je op tijd begint!

Jezus breidde in zekere zin ook de wetten uit, maakte het voor de mensen moeilijker dan het soms al was, maar op een heel andere manier. Zijn uitbreiding kwam iedereen ten goede. Hij verruimt bijvoorbeeld het gebod: Gij zult niet doden. Bij Hem betekent dat ook, dat wij andere mensen niet mogen doodpraten, niet mogen doodzwijgen of doodkijken. Dat wij niet mogen doden, betekent bij Jezus, dat wij het leven moeten respecteren, elkaar moeten eerbiedigen. Iemand doden kan beginnen met doen alsof die ander voor jou niet bestaat of kan met harde woorden beginnen. Dat en nog veel meer is dodelijk.

Jezus protesteert tegen het scrupuleuze denken van de Farizeeën. Hij vindt dat ze letterknechten zijn en dat ze te weinig oog hebben voor de intentie, de bedoeling, van de wet. Het was misschien goed bedoeld, maar pakte verkeerd uit. En het ergste was misschien nog wel, dat de Farizeeën ondanks de talloos vele wonderen Hem niet als Zoon van God wilden aanvaarden en dus ook niet naar zijn goede raad wilden luisteren.

Het gaat bij Jezus net allemaal even verder. Niet een onsje meer, maar een hele kilo extra. Dat wij niemand mogen vermoorden, betekent bij Jezus ook dat wij bouwen aan het leven – iemand dus helpen om te groeien, want wie niet groeit is eigenlijk dood – en dat wij respect hebben voor elkaar en eerbied voor de schepping.

Dat wij niet mogen echtbreken, betekent bij Jezus, dat wij ook innerlijk trouw zijn aan elkaar. Dat wij tegenover de andere gelovigen niet doen alsof. Maar met ons hart moeten wij elkaar liefhebben.

Niet stelen betekent bij Jezus niet alleen dat wij niets van een ander mogen wegnemen, maar ook dat wij bereid zijn om te delen. In deze wereld zou er niets moeten zijn wat helemaal van ons is, zeker niet als anderen bijvoorbeeld niet voldoende te eten hebben. Brood dat wij weggooien is eigenlijk gestolen uit de mond van de toch nog vele mensen die niets of weinig te eten hebben.

Er was ooit een joodse geloofsleerling, die aan zijn leermeester de volgende vraag stelde: Rabbi, waarom werd indertijd de tempel van Jeruzalem verwoest? Waarop de rabbi het volgende antwoord gaf: De tempel werd verwoest, omdat de mensen van Israël de wet hadden onderhouden. Een op het eerste gehoor totaal onverwacht antwoord. De tempel werd verwoest, omdat de mensen van Israël de wet hadden onderhouden. Dat lijkt goed, maar is dus te weinig. Het gaat erom, dat wij van harte doen wat God van ons vraagt en dat wij dus ietsje meer doen dan datgene waartoe wij verplicht zijn.

Er zijn bijvoorbeeld van die verpleegkundigen, die het hun opgedragen werk heel precies uitvoeren. Zij doen alles, vergeten nooit iets en doen het binnen de gestelde tijd. Maar pas als zij diezelfde dingen doen met hun hart erbij, zeggen de patiënten: Die daar, dat is pas een lieve zuster.

Er zijn van die gelovigen, die altijd precies volgens de voorschriften leven en toch stralen zij in hun gewone doen en laten geen geloof uit. Je proeft geen Blijde Boodschap.

Er zijn veel mensen, die geen vlieg kwaad doen en dat is al heel wat. Als iedereen zo zou leven, zou er geen criminaliteit meer zijn, zouden er ook geen oorlogen meer worden gevoerd. Maar niemand kwaad aandoen, zegt Jezus, is niet genoeg. Wij moeten niet alleen het kwade nalaten, maar ook heel bewust wel het goede doen. Niet omdat de wet het voorschrijft, maar omdat wij van God en onze medemensen houden.

Er kan zo veel kwaad worden overwonnen als mensen een onsje meer zouden geven. Amen.

Dionysiusparochie