PreePreek op 10-02-2013, de 5e  zondag door het jaar C, Pastoor Frank Domenk op 10-02-2013, de 5e  zondag door het jaar C, Pastoor Frank Domen

Preek op 10-02-2013, de 5e  zondag door het jaar C, Pastoor Frank Domen

CRÈCHE

openingswoord

Broeders enmoeders zusters, iets wat wij allemaal heel vaak op een dag doen is elkaar roepen. Wij roepen iemand, omdat wij iets fijns willen vertellen of omdat wij iemands hulp nodig hebben. Wij roepen eenvoudigweg, omdat het eten klaar is. Zo vele gelegenheden om te roepen. Als wij niet zouden kunnen roepen, zouden wij ons heel vaak hulpeloos en alleen voelen.

Ook God roept. Hij heeft ons nodig om zijn plan met ons en met heel de wereld ten uitvoer te kunnen brengen. Maar Hij roept vooral, omdat Hij weet, dat wij Hèm nodig hebben.

Ik las vandaag nog iets grappigs op teletekst. In de provincie Groningen zat de politie bij een of ander dorpje een fietsendief achterna. Hij verschool zich op een vuilnisbelt en op een gegeven moment was een agent het blijkbaar zat en riep: “Als je nu niet tevoorschijn komt, laat ik de hond op je los”. Er was echter een probleem: hij had geen hond bij zich. Dus begon hij maar zelf te blaffen. De dief schrok daar zo van, dat hij zich aan de politie overgaf.

De dief, die zich overgaf, ging de gevangenis in. Wij, die ons hier in de kerk willen overgeven aan Jezus, mogen juist onze vrijheid tegemoet gaan. Jezus wil ons bevrijden van onze zonden en zwakheden. Laten wij ze daarom belijden. Belijden en bevrijden, twee woorden die alles met elkaar te maken hebben.

Voor de keren, dat wij God te weinig betrokken hebben bij de grote en kleine dingen van ons leven, vragen wij nu samen om vergeving.

openingsgebed

Laat ons bidden. God, allen die uw nabijheid ervaren, getuigen dat Gij heilig zijt en dat de aarde vol is van uw glorie. Wij bidden, dat zij die door U geroepen zijn om dag en nacht te zwoegen voor uw Naam, blijven vertrouwen op uw Woord en de vreugde ervaren uw leerlingen te zijn. Door Onze Heer Jezus Christus, uw Zoon, die … . Amen.

kinderwoorddienst

preek

Zojuist hoorden wij twee voorbeelden van hoe God mensen roept. In de eerste lezing wordt Jesaja geroepen om profeet te worden. De Hebreeuwse naam ‘Jesaja’ betekent ‘Jahwe is hulp’. Hij is geboren misschien rond het jaar 770 vóór Christus, mogelijk in Jeruzalem en zeker uit een voorname familie. Volgens een bepaalde Joodse bron is Jesaja zelfs verwant met de koninklijke familie. Hij is getrouwd, heeft twee zonen. Hij profeteert in Jeruzalem en Juda, een provincie ten westen van Jeruzalem.

Vandaag horen wij hoe God zich in een indrukwekkend visioen aan Jesaja laat zien. God zit op een troon, omgeven door engelen.

Er wordt geleerd, dat er negen koren van engelen zouden zijn. Zoals er een zekere rangorde is Kerk en maatschappij, zo zou die er ook zijn in de engelenwereld. De hoogste engelen zouden zijn de Serafijnen, de Cherubijnen, de Tronen. Een twee groep van drie zou zijn de Overheden, de Machten en de Krachten. En tenslotte de Vorsten, de Aartsengelen en de Beschermengelen.

Wat Jesaja ziet zijn de allerhoogste engelen, die het dichtste bij God staan, de Serafijnen, elk met zes vleugels, en zij roepen elkaar toe “Heilig, heilig, heilig, de Heer der hemelse machten! Heel de aarde is vol van zijn glorie”.

Tussen haakjes, wat wij hier in de kerk doen is hetzelfde als wat de engelen in de hemel doen: wij zingen strakjes “Heilig, heilig, heilig, is de Heer, de God der hemelse machten”.

De plaats waar Jesaja in zijn droom is, schudt op haar grondvesten. Misschien nog sterker dan wat de inwoners van de provincie Groningen de laatste weken ervaren. Tegenover die machtige God voelt Jesaja zich klein en hij roept uit “Wee mij, ik ben verloren! Want ik ben een mens met onreine lippen en ik woon te midden van een volk met onreine lippen en toch hebben mijn ogen de Koning, de Heer der hemelse machten, gezien”.

Maar dan schiet God hem te hulp. Een engel zuivert Jesaja met een gloeiende kool van zijn zonden. En dan durft Jesaja God tegemoet te treden en zegt: “Hier ben ik, zendt mij!”

Jesaja weet, dat wij een ander – in dit geval God – niet voor niets moeten laten roepen. Hij weet ook hoe mooi het is om voor God iets extra’s te mogen doen. Wat wij voor God en zijn kerkvolk doen blijft in eeuwigheid bewaard.

Het tweede roepingsverhaal van vandaag is anders, maar niet minder indrukwekkend. De roepende is dit keer niet een machtige en verheven God op een troon, maar een eenvoudige en toch goddelijke timmermanszoon uit Nazaret. Petrus weet als professionele visser, dat er geen visje in het meer te vinden is en toch gooit hij de netten nog eens uit op het woord van de timmerman. Sommige mensen zouden misschien tegen Jezus zeggen: “Schoenmaker, blijf bij je leest”, maar Petrus, de visser, luistert naar deze wel heel bijzondere timmerman.

Het is goed het volgende in ons achterhoofd houden: Petrus en zijn collega’s hadden de netten zojuist schoongemaakt. Die netten konden 400 tot 500 meter lang zijn, een netwerk, dat weer in drie kleinere netten was verdeeld en voor elk net waren minstens vier mannen nodig om het binnen te halen. Dus … wat een werk om die netten binnen te halen en schoon te maken. En dan vraagt zo’n timmerman om de netten nog een keer uit te gooien.

Petrus heeft blijkbaar een groot vertrouwen in de Heer. Hij doet het en zij vangen zo veel vissen , dat de netten dreigen te scheuren en even later de boten dreigen te zinken. Nog nooit zijn er zo veel vissen binnengebracht.

Petrus had al een groot vertrouwen, maar net als Jesaja is hij diep onder de indruk. Hij als visser begrijpt beter dan wie dan ook hoe groot het wonder is dat Jezus hier heeft gedaan. Ook hij voelt zich klein worden tegen de almacht van deze timmerman en zegt: “Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens.”

Maar Simon Petrus, de eerste onder de apostelen, mag zichzelf zondig en zwak voelen, hij wordt bekleed met het hoogste kerkelijke ambt. Hij wordt de eerste paus, de plaatsbekleder van Jezus Christus op aarde.

Zonder geloof, vertrouwen en gehoorzaamheid, was er nooit een profeet Jesaja gekomen, was er nooit een apostel Petrus opgestaan, die al bijna 2000 jaar lang onze Kerk leidt.

Beste medegelovigen, ook wij allemaal zijn door God tot grote dingen geroepen. Maar … durven wij net als Petrus onze eigen zekerheden los te laten!? Petrus wist voor zichzelf zeker, dat er geen visje in het meer te vinden was, en toch wierp hij zijn netten weer uit. En het wonder gebeurde. Omdat hij niet op zichzelf vertrouwde, maar op God.

Petrus laat uiteindelijk de hele vangst achter om deze wondere timmerman te volgen en hij zou nog belangrijkere wonderen meemaken. Hij zou voortaan – zo noemde Jezus het – mensen vangen in plaats van vissen.

Ook wij hebben dat als taak: mensen vangen voor God. En wij kunnen dat doen door allereerst voor ze te bidden, maar ook en vooral door hen onze goedheid te geven. Door armen en zieken en eenzamen op te zoeken. Door mensen, die het zwaar hebben te steunen.

Als wij willen dat er weer méér mensen in de kerk komen zullen wij méér goedheid moeten geven. Het wordt tijd, broeders en zusters, dat de Kerk weer een duidelijke rol gaat spelen. Vroeger had de Kerk het onderwijs en de ziekenzorg in handen. Overal waren zusters en broeders. Die waren niet allemaal even lief, maar dat geldt ook voor de mensen van nu.

Maar wat is de taak van de Kerk in onze wereld? Geloofsverkondiging, ja, maar hoe kan de Kerk indruk maken op mensen, die niet geloven, zodat zij gaan zeggen: Die Kerk is toch wel een goede zaak, daar wil ik bij horen!?

Laten wij onze eigen zekerheden los. Durven wij het wondere avontuur aan. En geven wij veel goedheid aan mensen om ons heen.

Wij gaan nog even terug naar Jesaja. Hij voelde zich zwak en zondig, onwaardig om in de dienst van God te treden. Petrus trouwens ook. Maar toen een engel van God hem zuiverde, kon hij het aan.

Zelf had ik op het seminarie ook zo’n gevoel: ben ik hier wel geschikt voor? En dan bedoelde ik niet intellectueel, maar – eenvoudig gezegd – zou ik braaf genoeg zijn!?

Ik heb toen uit dit boekje – Het Sacrament van de Biecht, Bekering en Verzoening, P. Penning de Vries sj. – een gewetensonderzoek doorgewerkt. Iedere dag een paar regels, goed over nagedacht. En na een paar weken had ik 14 bladzijden van een schrift vol geschreven met wat ik allemaal niet goed deed. Daar kun je je door laten ontmoedigen. Je kunt ook denken: ondanks al die zonden en zwakheden voel ik mij best wel gelukkig. Hoeveel gelukkiger zal ik mij voelen als ik die zonden en zwakheden één voor één ga aanpakken!?

Voor mij persoonlijk heeft dat gewetensonderzoek heel bevrijdend gewerkt. Ik raad het jullie allen van harte aan. Zeker nu aanstaande woensdag de vastentijd weer gaat beginnen. Wie wil kan zo’n boekje gratis van mij krijgen. Het zou wel mooi zijn als we na het voltooien van het gewetensonderzoek er een keer samen over kunnen praten.

Dionysiusparochie