Preek op 17-02-2013, de 1e zondag van de veertigdagentijd, jaar C, pastoor Frank Domen

Preek op 17-02-2013, de 1e zondag van de veertigdagentijd, jaar C, pastoor Frank Domen

openingswoord

Broeders en zusters, welkom op deze eerste zondag van de veertigdagentijd.

Ik denk, dat wij al voldoende nieuws hebben gehoord en gelezen over het aftreden van paus Benedictus XVI. Ikzelf vond en vind het een geweldige man. Maar de Kerk heeft nu niet zozeer behoefte aan oordelen over zijn werkzaamheden, maar Zij heeft vooral behoefte aan gebed voor de kardinalen, die strakjes een nieuwe leider voor de Kerk gaan kiezen. Iedere heilige Mis zullen wij daarvoor bidden. Ik wil dat ook in jullie persoonlijke gebeden van harte aanbevelen. Het spreekt vanzelf, dat de keuze van de nieuwe paus grote invloed heeft op de toekomst van de Kerk.

Vandaag gaan wij echter de 1e zondag van de veertigdagentijd vieren. De bedoeling is dat wij – de zondagen uitgezonderd – veertig dagen lang iets extra’s doen voor God. Niet omdat Híj dat nodig heeft, maar omdat het goed is voor ons. In alle grote godsdiensten wordt er gevast. Alle godsdiensten hebben het besef, dat wij God iets moeten aanbieden. Niet dat wij daardoor ook maar ergens recht op hebben, maar dan hebben wij in ieder geval onze goede wil getoond.

De eerste lezing vertelt ons hoe de Joden de eerste vruchten van het land aan God gaven. Ik hoop dat wij allemaal al hebben nagedacht over de vraag wat wij dit jaar gedurende de vasten voor God, voor de Kerk en voor elkaar kunnen betekenen. En anders kunnen we dat nu nog even doen. De een zal wat meer kunnen en willen doen, een ander wat minder. Maar laten we allemaal iets doen.

Beginnen wij met groot geloof en vertrouwen aan deze heilige boetetijd. God heeft handenvol genade voor ons. Nemen wij zijn genade aan – voor onszelf en voor de wereld – door ernst te maken van onze boete. Nemen wij ons iets voor en proberen wij het vol te houden. God zal ons helpen als wij ons best doen.

openingsgebed

Laat ons bidden. Almachtige God, leer ons in deze veertigdagentijd met meer toeleg en vroomheid het evangelie te beleven, en beter te begrijpen, dat wij niet leven van brood alleen, maar van elk woord, dat Gij ook spreekt in deze tijd. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon … .

preek

Of wij nu kind zijn, jongere of volwassene of wij zijn al wat ouder, wij hebben allemaal weleens last van stemmingen. Het ene moment vinden wij het leven fantastisch. Wij hebben plezier met de mensen, die wij kennen. Wij vinden blijdschap in wie wij zijn en in wat wij hebben. Maar op een ander moment vinden wij het leven maar heel gewoontjes. Alweer boodschappen doen, bedden opmaken, al weer naar school en huiswerk maken. En soms zien wij het leven helemaal niet zitten. Wij balen als ik weet niet wat. Wij hebben nergens zin in. Wij ergeren ons aan alles en iedereen. Wij hebben het gevoel dat iedereen ons voor de voeten loopt en dat alles ons tegenzit.

Ik denk, dat het héél belangrijk is, dat wij beseffen, dat deze afwisseling bij het leven hoort. Het zit in het leven ingebakken. De ene tijd van het jaar is het lente. Dan komt er nieuw, fris leven. Een andere tijd van het jaar is het herfst. Alles wordt koud en kaal en dood. Wij zijn blij als er gezond en wel een kindje wordt geboren of als wij jarig zijn, als iemand gaat trouwen of als er een jubileum te vieren valt. Maar mensen kunnen ook ziek worden, aftakelen en zelfs dood gaan. Dan zijn wij bedroefd. Maar de meeste dagen van het jaar zijn heel gewoon. Dan is er geen bijzondere blijdschap, ook geen erge droefheid. Iedere dag lijkt hetzelfde.

Het zou niet goed zijn als er iedere dag feest was. Dan gaat de lol er gauw vanaf. Het leven zou ook niet vol te houden zijn als er iedere dag grote droefheid was. Het leven móét over het algemeen wel heel gewoon zijn. Iets anders kunnen wij niet aan. Daar zijn wij te klein voor.

De afwisselingen in het leven mogen wij zien als een soort beproevingen. In het evangelie hoorden wij hoe ook Jezus Christus op de proef werd gesteld. God liet toe, dat zijn Zoon door de duivel werd bezocht. Zo kon Hij zien – en zo kunnen vooral wíj zien – uit welk hout Jezus is gesneden. Hij is iemand, die altijd “nee” weet te zeggen tegen het kwaad en de kwade. Iemand, die altijd “ja” zegt tegen God en zijn medemensen. En het gaat vooral om het volgende: als Hij dat kan, kunnen wij het ook, samen met Hem.

Jezus Christus had veertig dagen lang gevast. Er staat letterlijk: “Gedurende die dagen at Hij niets”. Hoe kan iemand dat volhouden? Dat weet ik ook niet. Wij hebben hier te maken met de Zoon van God. En voor God is alles mogelijk. Er staat ook, dat hij veertig dagen in de woestijn verbleef en door de duivel op de proef werd gesteld. Er zijn dus misschien niet alleen de bekende drie beproevingen op het einde van de vastentijd, nee, misschien werd Hij wel geheel de vasten door op de proef gesteld en de drie ons bekende zijn als het ware de kroon op de lijst van beproevingen. Er staat ook op einde van het evangelie van vandaag: “Toen gaf de duivel “al zijn pogingen” om Hem te verleiden op”. Als er maar drie bekoringen waren, kun je moeilijk spreken van “al zijn pogingen”.

Laten wij even kijken naar de tweede bekoring. De duivel toont Jezus in één oogopslag alle koninkrijken van de wereld. Hij beweert, dat zij hem toebehoren en dat Hij ze aan Jezus zal geven als Jezus voor hem neerknielt en hem aanbidt. Wel, Koning worden over al die landen is precies de bedoeling van Jezus’ komst in de wereld. Hij krijgt de vervulling van zijn doel op een presenteerblaadje aangereikt. Maar Jezus weet ook dat niet alle middelen geoorloofd zijn. Wij mogen nooit het kwaad en de kwade erbij halen om het goede te bereiken. En de duivel aanbidden is een héél groot kwaad. Doen alsof het goede van hem afkomstig is en niet van God is afgoderij van de bovenste plank. Wij moeten het goede alleen maar aannemen uit handen van God of uit handen van wie door God gezonden is. Jezus kiest voor de moeilijkere weg. Het is de weg van de liefde. Hij probeert met veel geduld de harten van de mensen te veroveren voor het Koninkrijk van God.

Terug naar onze stemmingen, onze beproevingen. Als wij niet zo goed gestemd zijn, grijpen wij weleens naar de verkeerde middelen. Wij worden soms een beetje agressief, ongeduldig. Wij kuren ons uit op mensen in onze omgeving. Wordt daardoor onze stemming beter!? Als wij ons vervelend voelen, gaan wij opeens meer eten en drinken. Of wij wijken af van het ons voorgenomen programma en gaan zomaar andere dingen doen, omdat wij geen zin meer hebben in wat wij ons eigenlijk hadden voorgenomen. Als wij zó doen, zijn wij voor de beproeving gezakt.

De vasten is een tijd waarin wij onszelf beproeven door ons iets voor te nemen – bijvoorbeeld wij laten vaker lekkere hapjes tussendoor staan – dat maakt ons geestelijk sterker. Zoals een sporter z’n lichaam pijnigt en daardoor beter presteert, zo oefenen wij ons in het onszelf iets ontzeggen waardoor wij dan geestelijk sterker worden. En als wij geestelijk sterker worden, reageren wij vanzelf beter op de wisselende stemmingen waar wij zo dikwijls last van hebben. En, broeders en zusters, de vasten is een mooie boetedoening, want wij schieten allemaal tekort, wij allemaal hebben tegenover God wel iets goed te maken. Laten wij iets maken van deze vastentijd. Doen wij onszelf een beetje geweld aan. Wij zullen zien, dat wij straks dan veel meer een paasgevoel hebben en dat wij sterker zijn geworden en het leven beter aan kunnen.

Dionysiusparochie