Ter voorbereiding van de viering van woensdag 14-07-2021

Ter voorbereiding van de viering van woensdag 14-07-2021

Uit een brief van een onbekend West-Vlaams schrijver (16de eeuw)

De geestelijke dans

Zoals bij het springen de mens zichzelf met inspanning opwaarts wil werpen, hoger dan het lichaam wegens zijn natuurlijke zwaarte vermag, zo wil ook de Godminnende ziel door het beschouwen van de trouw van haar lieve Vader zich met al haar krachten opheffen, tot hoger lof en dankbaarheid dan zij van nature ooit zou vermogen in dit sterfelijk lichaam.

Dat is het springen in de geest, beduid door het zoëven verhaalde springen van koning David bij het binnenbrengen van de ark van God in Jeruzalem. Dat is de geestelijke dans van de waarachtige christenen: ik zag die wel graag veelvuldig beoefend.

Nu, bij dit dansen en springen past toch wel een lied. Ik zei trouwens vroeger dat de Godminnende ziel met een nieuw hart en vol vertrouwen een nieuw lied of lofzang maakte op haar Beminde en zichzelf, om dit opspringen uit dankbaarheid met lof te bezingen en de geest van hen die het horen, vuriger op te wekken. Dit lied van groot vertrouwen werd eerst gezongen door de edele dichter en zanger David in psalm drieëntwintig. Toen hij namelijk ervaren had dat Gods trouw en bezorgdheid voor hem zo groot waren en zo veelvuldig als boven beschreven werd, werd hij in de geest ontvlamd en zo vervoerd tot dankbare lof dat hij met een groot geloof zijn standvastig vertrouwen op God te kennen heeft gegeven, door dit loflied te zingen: o – zo roept hij uit – de Heer geleidt mij en zorgt voor mij en niets zal mij ontbreken; want de Heer heeft mij geplaatst in een groene weide (vgl. Ps. 23 (22),1-2a). Het is alsof hij zeggen wilde: aangezien ik mij geheel op de Heer verlaat, kan mij niets ontbreken, want Hij is zo getrouw en zo bezorgd voor mij. Hij heeft mij gevoerd naar de wateren en verzadigd met heerlijk voedsel (vgl. Ps. 23 (22), 2b): dat is de macht van zijn weldaden voor de mens. Door de beschouwing en overweging daarvan ben ik van lieverlede tot een volmaakt vertrouwen gekomen. Hierbij heeft de Heer mijn ziel geheel en al omgekeerd van het klein geloof dat ik eerst had, tot een standvastig vertrouwen op Hem alleen.

De Heer heeft mij in zijn getrouwheid en bezorgde genadigheid zelf bij de hand geleid tot op het rechte pad van de deugd en van de gerechtigheid, om geëerd en geprezen te zijn, zodat zijn Naam daardoor verheven zou worden. Zelf leidt Hij zijn kinderen die op Hem kunnen vertrouwen, door zijn goddelijke bijstand tot de hoogte van de deugden.

Daarom, al ware ik nog zo gekweld en verstoken dat ik moest wandelen in het midden van de schaduwen van de dood (vgl. Ps. 23 (22), 4), dat wil zeggen: dat ik nauwelijks kans zag de dood te ontgaan, toch zal ik niet bevreesd zijn voor enig onheil. Want Gij, Heer, staat mij bij in zulke nood, en Gij verlaat uw kinderen niet, o getrouwe Vader, maar zijt hun zeer nabij, ook al beseft men dat van buiten niet.

O Heer, uit dit vertrouwen put ik een nog groter vertrouwen, te weten: de overtuiging dat de genadigheid en getrouwheid die Gij mij bewezen hebt, nimmer zullen wijken, maar mij alle dagen van mijn leven zullen bijblijven. Ja, Heer, zozeer groeit mijn vertrouwen dat ik niet alleen in dit leven mij op U verlaat, maar even vast vertrouw in het hiernamaals in lengte of eeuwigheid van dagen te zullen wonen in het huis van mijn Heer en Vader (vgl. Ps. 23 (22), 6), en dat ik nimmermeer zelfs de gedachte zal kunnen opvatten ooit door U verworpen te worden.