Ter voorbereiding van de viering van vrijdag 13-08-2021

Ter voorbereiding van de viering van vrijdag 13-08-2021

Uit de geschriften van de zalige priester Jan van Ruusbroec († 1381)

Ons leven in gerechtigheid

Jan van Ruusbroec

Toen Christus, Gods Zoon, uit liefde tot ons wilde sterven, gaf Hij zijn leven in handen van zijn vijanden tot in de dood. En zo was Hij een gehoorzaam dienaar van zijn Vader en van heel de wereld. Hij gaf ook zijn eigen wil over aan de wil van zijn Vader, en daarmee bewerkte Hij de hoogste gerechtigheid en leerde Hij ons de gehele waarheid. En Hij verhief zijn geest in een eeuwig zalig genieten en sprak dan: ‘Alles is volbracht’ (Joh. 19, 30), en: ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest’ (Lc. 23, 46).

En op datzelfde vers antwoordt de profeet David uit naam van alle goede mensen, die Christus daarin navolgen, wanneer hij zegt: ‘Heer, God der waarheid, Gij hebt mij verlost’ (Ps. 31 (30), 6). Want wij kunnen onszelf niet verlossen. Maar als wij, met al wat in ons vermogen is, Christus navolgen, zoals ik tevoren heb aangetoond, dan worden onze werken met zijn werken verenigd, en door zijn genade veredeld. En zo heeft Hij ons gered, niet door onze werken, maar door zijn werken; en door zijn verdiensten heeft Hij ons vrijgemaakt en verlost.

Willen wij echter deze vrijheid ervaren en bezitten, dan moet zijn Geest onze geest doen ontvlammen in minne, en moet onze geest verzinken in de afgrond van zijn genade en van zijn vrije goedheid. Daar wordt onze geest gedoopt en vrijgemaakt en één gemaakt met zijn Geest. Zie, daar sterft de eigenheid van onze wil in de wil van God zo volledig dat wij niet anders kunnen noch vermogen te willen dan wat God wil. Want Gods wil is onze wil geworden. En dat is de wortel van alle ware liefde. Waar wij opnieuw geboren worden uit de Geest van God, daar is onze wil vrij en daar is hij één met de vrije wil van God. En daar is onze geest door minne verheven en opgenomen in één geest, in één wil, in één vrijheid met God. En in deze goddelijke vrijheid is de menselijke geest in minne verheven boven zijn eigen natuur, dat is: boven pijn en moeite en onwil, boven angst en zorgen en vrees voor dood en hel en vagevuur, en boven alle last die ons overkomen kan in lichaam en ziel, in tijd of in eeuwigheid. Want troost en troosteloosheid, geven en nemen, sterven en leven en al wat ons overkomen kan aan lief en leed: het blijft allemaal beneden de liefdevolle vrijheid waarin de geest van de mensen met Gods Geest één geworden is.