Ter voorbereiding van de viering van vrijdag 07-05-2021

Ter voorbereiding van de viering van vrijdag 07-05-2021

Uit een preek van de zalige Isaak, abt van Stella († 1169)

De Eerstgeborene onder vele broeders

Zoals bij een mens het hoofd en het lichaam eenzelfde mens uitmaken, zo vormen de Zoon van de Maagd en zijn uitverkoren ledematen één mens en één Mensenzoon. De Schrift leert dat de hele en volledige Christus bestaat uit hoofd en lichaam. Alle ledematen te zamen vormen dus één lichaam, dat met zijn hoofd de ene Mensenzoon is, en deze is met de Zoon Gods de ene Zoon van God, die zelf met God de ene God is. Zo is ook het hele lichaam met het hoofd te zamen de Mensenzoon, de Zoon van God en God zelf. Vandaar dit woord van Jezus: ‘Opdat zij allen één mogen zijn zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in U: dat ook zij in Ons één mogen zijn’ (Joh. 17, 21 – Vulg.).

Er is dus, volgens de algemeen erkende zin van dit Schriftwoord, geen lichaam zonder hoofd, geen hoofd zonder lichaam, en ook geen hoofd-en-lichaam, geen gehele Christus, zonder God. Daarom is ook alles met God te zamen één God, maar de Zoon Gods is met God één van natuur, met de Zoon Gods is de Mensenzoon één in persoon, en met de Mensenzoon is zijn mystieke lichaam één op sacramentele wijze.

De gelovige en met rede begaafde ledematen van Christus kunnen dus waarachtig van zichzelf zeggen dat zij zijn wat ook Hij is: Zoon van God en God. Maar wat Hij van nature is, dat zijn zij door gemeenschap; wat Hij in volheid is, dat zijn zij door deelname; wat de Zoon van God door voortbrenging is, dat zijn de ledematen door aanneming, zoals er in de Schrift te lezen staat: ‘Gij hebt een geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen: Abba, Vader!’ (Rom. 8, 15). Volgens die geest ‘gaf Hij hun het vermogen om kinderen van God te worden’ (Joh. 1, 12). Zo kregen zij het voorrecht om Hem die ‘de eerstgeborene is onder vele broeders’ (Rom. 8, 29), te mogen nazeggen: ‘Onze Vader die in de hemel zijt’ (Mt. 6, 9). Nog elders lezen wij: ‘Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader’ (Joh. 20, 17).

Door dezelfde Geest door wie de Mensenzoon, ons hoofd, geboren is uit de schoot van de Maagd, worden wij, zijn lichaam, herboren uit het bad van de doop als kinderen van God. En zoals Hij geboren is zonder enige zonde, zo worden ook wij herboren tot vergeving van alle zonden.

Want zoals Hij op het kruis in zijn menselijk lichaam alle zonden van zijn hele mystieke lichaam droeg, zo heeft Hij door de genade van de wedergeboorte in eenzelfde gebaar aan zijn geestelijk lichaam elke zonde vergeven, naar het woord van de psalmist: ‘Gelukkig degene wiens fout werd vergeven, wiens zonde door God werd bedekt’ (Ps. 32 (31), 2). Met die ‘gelukkige’ wordt ongetwijfeld Christus bedoeld. Voor zover ‘God het hoofd van Christus is’ (1 Kor. 11, 3), vergeeft Hijzelf de zonden. Voor zover Christus, als hoofd van zijn mystieke lichaam, één mens is, hoeft Hem niets vergeven te worden. Maar voor zover het lichaam van dat hoofd uit vele mensen bestaat, wordt Hem elke zonde vergeven.

Rechtvaardig in zichzelf, rechtvaardigt Christus zichzelf. Hij alleen is de verlosser, Hij alleen de verloste. ‘In zijn eigen lichaam heeft Hij op het kruishout gedragen’ (1 Petr. 2, 24) de zonden die Hij ook door het doopwater van zijn mystieke lichaam heeft weggenomen. Zo heeft Hij ons tweemaal verlost: zowel door het kruis als door het water van het doopsel. Het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt en die het op het kruishout gedragen heeft, Hij is tegelijk priester, offergave en God. Hij offert zich aan zichzelf, Hij verzoent zich door zichzelf met zichzelf, evengoed als met de Vader en de heilige Geest.