Ter voorbereiding van de viering van dinsdag 11-05-2021

Ter voorbereiding van de viering van dinsdag 11-05-2021

Uit de verhandeling van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), over de eerste brief van Johannes

Wie de wil van God doet, blijft in eeuwigheid

Hoe kan men God beminnen, als men de wereld bemint? God zorgt ervoor dat de liefde in ons woont. Er zijn twee soorten liefde: een liefde tot de wereld en een liefde tot God. Waar de liefde tot de wereld woont, is geen toegang meer voor de liefde tot God. De liefde voor de wereld moet wijken, wanneer de liefde tot God in iemand wil wonen. Men moet een plaats vrijhouden voor de beste liefde. Hebt gij tot nu toe de wereld bemind? Geef die liefde op. Wanneer gij uw hart leeggemaakt hebt van de aardse liefde, kunt gij het vullen met goddelijke liefde. Dan begint in u die liefde te wonen waarvan geen enkel kwaad kan uitgaan.

Luister naar de woorden van Johannes die niets anders wil dan uitzuiveren. Voor hem zijn de harten van de mensen als een akker. Alles hangt ervan af in welke staat de akker zich bevindt. Staat de akker vol struiken, dan moet Johannes eerst de grond ontginnen. Is de grond in orde, dan kan hij planten. Hij wil daar de boom van de liefde planten. Het struikgewas dat hij wil uitroeien, is de liefde tot de wereld. Luister naar de ontginner: ‘Heb de wereld niet lief noch wat zij te bieden heeft. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem’ (1 Joh. 2, 15).

Wilt gij de liefde van de Vader bezitten om medeërfgenaam van zijn Zoon te zijn, bemin de wereld dan niet. Laat u niet in met slechte liefde tot de wereld, om vervuld te worden van liefde tot God. Gij zijt als een vat, maar een vat dat nog vol is. Giet eruit wat erin is en vul het met iets nieuws.

Zeker, onze broeders en zusters hier zijn herboren uit het water en de Geest. Ook ikzelf ben enkele jaren geleden herboren uit het water en de Geest. Het is goed voor ons de wereld niet te beminnen. Anders zouden de sacramenten die wij ontvingen, onze veroordeling betekenen, en geen heilskracht. Onder heilskracht versta ik: de basis van de liefde bezitten, de werkdadige liefde tot God, niet alleen de uiterlijke vorm van het christendom. Niet dat een uiterlijke vorm niet goed of niet heilig kan zijn. Maar wat is een uiterlijke vorm waard zonder ziel, zonder basis?

‘Heb de wereld niet lief noch wat zij te bieden heeft. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem. Want al wat in de wereld is, is begeerte van het vlees, begeerte van de ogen en grootgaan op macht’ (1 Joh. 2, 15-16). Er zijn dus drie begeerten, en alles waardoor de menselijke begeerlijkheid wordt opgewekt, is te herleiden tot deze drie: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de drang naar macht. Door deze drie werd ook de Heer bekoord door de duivel.

Hij werd bekoord door de begeerte van het vlees, toen Hem gezegd werd wanneer Hij honger kreeg na het vasten: ‘Als gij de Zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier in broden veranderen’ (Mt. 4, 3). Maar hoe wees Jezus de bekoorder af? Hoe heeft Hij ons, zijn soldaten, geleerd te strijden? Met dit antwoord: ‘Niet van brood alleen leeft de mens, maar van elk woord dat van God komt’ (Mt. 4, 4).

Jezus is ook bekoord door de begeerte van de ogen, de begeerte naar het wonder. De duivel zei Hem: ‘Werp u naar beneden, want er staat geschreven: aan zijn engelen zal Hij omtrent u bevel geven dat zij u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen zult stoten’ (Mt. 4, 6). Maar Jezus ging niet op het voorstel van de bekoorder in.

Hoe is de Heer bekoord door wereldse drang naar macht? De duivel plaatste Hem op een hoge berg en zei: ‘Dat alles zal ik U geven, als Gij in aanbidding voor mij neervalt’ (Mt. 4, 9). Met de macht van een aards rijk wilde hij de Heer van de eeuwigheid bekoren. Maar de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft, legde de duivel neer aan zijn voeten. Is het zo iets bijzonders dat de duivel overwonnen wordt door de Heer? Eigenlijk niet. Het belang van de antwoorden van Jezus is dan ook voornamelijk hierin gelegen, dat Hij ons daardoor geleerd heeft wat te antwoorden: ‘Er staat geschreven: de Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen’ (Mt. 4, 10).

Als gij u aan Jezus’ woorden houdt, zult gij vrij zijn van de begeerlijkheid van de wereld. En als gij daar vrij van zijt, zal noch de begeerte van het vlees, noch de begeerte van de ogen, noch de begeerte naar macht u in haar greep hebben. Zo maakt gij u vrij voor de liefde, wordt gij toegankelijk voor de liefde en zult gij God kunnen beminnen.

De Schrift verklaart: ‘Ik zeg: gij zijt goden, zonen van de Allerhoogste, gij allen’ (Ps. 82 (81), 6). Indien gij dus goden wilt zijn en zonen van de Allerhoogste, hebt dan de wereld niet lief noch wat zij te bieden heeft. ‘En de wereld met haar begeerten gaat voorbij. Maar wie de wil van God doet, blijft in eeuwigheid, zoals God in eeuwigheid blijft’ (1 Joh. 2, 17).