Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Uit een toespraak van de heilige Andreas, bisschop van Kreta († 740)

Gezegend de Komende in de Naam des Heren, de Koning van Israël

Komt, laten we gezamenlijk de Olijfberg bestijgen en Christus tegemoet gaan, die vandaag uit Betanië terugkeert en zich vrijwillig begeeft naar het eerbiedwaardig en zalig lijden, om het mysterie van ons heil te voltooien.

de Olijfberg

Hij gaat inderdaad vrijwillig de weg naar Jeruzalem, Hij die omwille van ons uit de hemel is neergedaald, om ons, die in de diepten neerlagen, tegelijk met zich te verheffen, ‘hoog boven alle heerschappijen, machten en krachten, en boven elke naam die genoemd wordt’, zoals de Schrift ons openbaart (Ef. 1, 21).

Hij komt echter niet als iemand die uit is op eer en roem. ‘Hij roept niet, Hij schreeuwt niet, in de straten verheft Hij zijn stem niet’ (Jes. 42, 2), maar Hij zal ‘zachtmoedig zijn en nederig’ (Mt. 11, 29), en bij zijn intrede in Jeruzalem stelt Hij zich bescheiden op.

Welaan dan, laten we samen optrekken met Hem die zich spoedt naar zijn lijden, en hen navolgen die Hem tegemoet trokken. Niet zo dat we olijftakken, mantels of palmtakken voor Hem op de weg uitspreiden, maar dat we onszelf, zoveel we kunnen, met een nederig gemoed en een zuivere intentie ter aarde werpen, om het Woord bij zijn komst te ontvangen. Zo wordt God die door niets omvat kan worden, door ons opgenomen.

Want Hij die zich jegens ons zo zachtmoedig getoond heeft – de Zachtmoedige die de ellende ophief waarin wij, zoals de ondergaande zon in het westen, dreigden te verzinken -, Hij verheugt zich erover tot ons te komen en met ons omgang te hebben, ons tot zich te verheffen en ons terug te voeren door zijn verwantschap met ons. Hij stijgt op naar het oosten boven het hemelgewelf (vgl. Ps. 68 (67), 34) – daarmee is volgens mij zijn eigen heerlijkheid en godheid bedoeld – als eersteling en voorafbeelding van ons toekomstig bestaan. Toch minacht Hij de menselijke natuur niet, omdat Hij haar bemint en hoog met zich wil verheffen. Hij neemt haar van de aarde op en voert haar ‘van de ene heerlijkheid tot de andere’ (2 Kor. 3, 18).

Laten we zo onszelf voor Christus uitspreiden, niet als mantels of onbezielde takken of als een tapijt van groen, een verwelkende materie die slechts weinige uren de ogen streelt. Neen, laten we onszelf uitspreiden, bekleed met zijn genade, of liever, met Hemzelf: ‘Want gij allen die in Christus zijt gedoopt, zijt met Christus bekleed’ (Gal. 3, 27). Laten wij ons voor zijn voeten neerleggen, uitgespreid als een kleed.

Wij die vroeger als scharlakenrood waren door de zonde, maar nu door de reiniging van het heilzame doopsel blank als wol zijn geworden (vgl. Jes. 1, 18), laten we Hem, de Overwinnaar van de dood, geen palmtakken, maar onszelf als trofee aanbieden. Laten ook wij vandaag met de kinderen dat heilige lied zingen, terwijl we zwaaien met geestelijke takken: ‘Gezegend Hij die komt in de Naam des Heren, de Koning van Israël’ (vgl. Joh. 12, 13).