Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Uit het commentaar van een onbekend schrijver (4de eeuw) op de brief aan de Romeinen

Gij hebt de geest ontvangen die u tot kinderen van God maakt

‘Allen die zich laten leiden door de Geest van God, zijn kinderen van God’ (Rom. 8, 14). Paulus zegt dat mensen die in hun daden de plannen van de heerschappijen en machten niet zichtbaar laten worden, zich door de Geest van God laten leiden. Immers, allen die deze wel zichtbaar laten worden, zijn geen kinderen van God, maar kinderen van de duivel, omdat ‘een kind van God niet zondigt’ (1 Joh. 3, 9). Hierin onderscheiden de kinderen van God zich juist van de kinderen van de duivel.

‘De geest die gij ontvangen hebt, is er niet een van slaafsheid die u opnieuw vrees zou aanjagen’ (Rom. 8, 15). Dit zegt Paulus, omdat wij na het ontvangen van de Geest bevrijd zijn van de vrees voor slechte daden, zodat wij voortaan niets meer doen dat ons opnieuw vrees zou aanjagen.

Voorheen leefden wij immers in vrees, omdat na het uitvaardigen van de wet allen in staat van beschuldiging gesteld zijn. Derhalve heeft Paulus de wet ‘de geest van slaafsheid’ genoemd, omdat zij de mensen vanwege de zonde in een toestand van vrees heeft gebracht. De wet van het geloof die met de geest van kindschap aangeduid wordt, is de wet van de zekerheid: zij ontrukt ons immers aan de vrees, terwijl zij de zonden vergeeft en ons daardoor zeker maakt. En in deze zin wordt die wet niet de geest van slaafsheid genoemd.

‘Gij hebt een geest van kindschap ontvangen die ons doet uitroepen: Abba, Vader’ (Rom. 8, 15). Door de genade van God zijn wij van de slaafsheid bevrijd en hebben wij de geest van kindschap ontvangen. Wanneer wij bedenken wie wij waren en wat wij door Gods gave ontvangen hebben, moeten wij dus ons leven met grote zorgvuldigheid zo ordenen dat de naam van God de Vader in ons geen onrecht lijdt en wij niet als ondankbaren blootgesteld worden aan datgene waaraan wij ontkomen zijn. Immers, wij hebben een zo grote genade ontvangen dat wij tot God durven zeggen: ‘Abba’, dat is: Vader!