Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Uit de brief van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), aan Proba

God wil door ons bidden ons verlangen oefenen

Waarom laten wij ons door allerlei zaken verstrooien en waarom zoeken wij wat wij moeten bidden? Uit vrees misschien dat wij niet bidden zoals het hoort? Waarom zeggen we niet liever met de psalm: ‘Eén ding slechts vraag ik de Heer, meer zal ik niet wensen: dat ik in Gods huis mag wonen zolang ik leef; dat ik de beminnelijkheid van de Heer mag ervaren, zijn tempel weer met eigen ogen mag zien’ (Ps. 27 (26), 4-5). Want daar is geen komen en gaan van de dagen, noch is het begin van de ene dag er het einde van de vorige. Alle dagen zijn op gelijke wijze zonder einde, daar waar het leven zelf, waarvan die dagen deel uitmaken, geen einde heeft.

Om dit zalige leven te verkrijgen heeft het ware Leven zelf ons leren bidden, niet met een veelheid van woorden, alsof wij verhoord zouden worden naar de mate van onze breedsprakigheid. Want wij bidden tot Hem die, zoals de Heer het zelf zegt, weet wat wij nodig hebben vóór wij Hem erom vragen.

Waarom Hij ons dwingt te bidden, Hij die weet wat wij nodig hebben voor wij Hem erom vragen, kan ons verwonderen, als we niet begrijpen dat het onze Heer en God er niet om gaat onze wil te leren kennen die Hem niet onbekend kan zijn. Maar door ons bidden wil Hij ons verlangen oefenen waardoor wij kunnen ontvangen wat Hij ons wil geven. Want dat is heel groot; wij zijn echter om dat te ontvangen maar klein en beperkt. Daarom zegt Hij ons: ‘Zet uw hart wijd open. Vormt geen ongelijk span met de ongelovigen’ (2 Kor. 6, 13-14).

Immers, dit heel grote, dat ‘geen oog heeft gezien’, omdat het geen kleur heeft, en dat ‘geen oor heeft gehoord’, omdat het geen klank heeft, en ‘dat in geen mens is opgekomen’ (1 Kor. 2, 9), omdat de mens daarheen moet opstijgen, zullen we des te geschikter ontvangen, naarmate we er getrouwer in geloven, vaster erop hopen en het vuriger begeren.

In dat geloof nu, in die hoop en in die liefde bidden wij met een nooit ophoudend verlangen. Toch bidden wij God op vaste uren en tijden ook met mondgebeden. De bedoeling hiervan is onszelf door die uitwendige dingen bewust aan te sporen, te weten hoeveel vooruitgang wij gemaakt hebben in dit verlangen en ons aan te wakkeren dit in ons nog te versterken. Want hoe vuriger ons verlangen is dat voorafgaat, des te groter zal het resultaat zijn. Daarom ook betekent wat de Apostel zegt: ‘Bidt zonder ophouden’ (1 Tess. 5, 17) niets anders dan: verlangt zonder ophouden het gelukzalig leven dat het eeuwig leven is, te verkrijgen van Hem die de enige is die het kan geven.