Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Uit een preek van de heilige paus Leo de Grote († 461)

Ieder krijgt loon naar werken

De Heer zegt: ‘Als uw gerechtigheid die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft, zult gij zeker niet binnengaan in het rijk der hemelen’ (Mt. 5, 20). Hoe echter zal onze gerechtigheid die andere ver kunnen overtreffen, tenzij ‘de barmhartigheid triomfeert over het oordeel’ (Jak. 2, 13)? En wat is er zo passend en juist als dat een schepsel, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, zijn Schepper navolgt? De Schepper heeft de vernieuwing en de heiliging van de gelovigen gegrondvest op de vergeving van de zonden. Zodoende werd immers, nadat de strengheid van de wraak opgeheven was en aan iedere straf een einde was gekomen, de schuldige in zijn onschuld hersteld en werd het einde van de wandaden begin en oorsprong van de deugden.

de Farizeeën

Hierin kan de christelijke gerechtigheid die van de schriftgeleerden en Farizeeën verre overtreffen: niet door de wet op te heffen, maar door een wereldse verklaring ervan af te wijzen. Daarom ook zegt de Heer, wanneer Hij zijn leerlingen een manier van vasten voorhoudt: ‘Wanneer gij vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen; zij verstrakken hun gezicht om de mensen te tonen dat zij aan het vasten zijn. Voorwaar, Ik zeg u: zij hebben hun loon al ontvangen’ (Mt. 6, 16). Wat is dat loon anders dan de lofprijzing van de mensen? Wegens het verlangen hiernaar wordt meestal de schijn van gerechtigheid opgehouden. Waar men zich in het geheel niet bekommert om een goed geweten, wordt echter de valsheid van de roem bemind, zodat de ongerechtigheid die door zich te verbergen zichzelf aanklaagt, zich verheugt over een op bedrog berustende goede naam.

Voor hem die God bemint, is het voldoende God te behagen die hem bemint. Immers, er kan geen grotere beloning verlangd worden dan de liefde zelf, want de liefde die van God komt, is zoals God zelf liefde. Een godvruchtig en zuiver hart schept er vreugde in van deze liefde zo vervuld te worden dat het verlangt zich in niets anders dan in God te verblijden. Maar al te waar is immers: ‘Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn’ (Mt. 6, 21). Wat is echter de schat van een mens anders dan het verzamelen van de vruchten en de oogst van zijn inspanningen? ‘Wat een mens zaait, zal hij ook oogsten’ (Gal. 6, 7), en ieder krijgt loon naar werken. Waar het genoegen om iets te genieten wordt geboden, daar is de aandacht van het hart op gericht. Aangezien er verschillende soorten rijkdom bestaan en de bron van vreugde niet steeds dezelfde is, is het voorwerp van ieders verlangen een schat te noemen. Als dit bestaat in honger naar aardse zaken, dan maakt het de mensen door het bezit ervan niet gelukkig, maar ongelukkig.

Zij echter die smaken wat boven is, en niet gericht zijn op wat van de aarde is en zal vergaan, maar op het eeuwige, bezitten daarin een onvergankelijke rijkdom. Hiervan zegt de profeet Jesaja: ‘Onze schat en ons heil zijn gekomen: wijsheid, kennis en liefde van de Heer: dit zijn de schatten der gerechtigheid’ (Jes. 33, 6 – Vulg.). Daardoor worden met de hulp van Gods genade aardse goederen in hemelse veranderd, wanneer velen hun rijkdom – ofwel op rechtmatige wijze aan hen vermaakt ofwel op een andere manier verworven – gebruiken als werktuig voor hun naastenliefde. En als zij ter ondersteuning van de armen verdelen wat zij in overvloed bezitten, verzamelen zij voor zich een rijkdom die zij niet kunnen verliezen. Wat zij voor aalmoezen terzijde gelegd hebben, kan dan niet onderhevig zijn aan verkwisting en terecht hebben zij hun hart daar waar zij hun schat hebben. Daarom is het de hoogste vorm van geluk: met zijn rijkdom zo omgaan dat hij groeit, en tegelijk geen angst hebben dat hij verloren gaat.