Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Ter voorbereiding van de viering van de zondag

Uit de geschriften van de zalige priester Jan van Ruusbroec († 1381)

Wij zijn geroepen tot vereniging met God door het onderhouden van de wet der liefde

Wij moeten allereerst onze blik op God richten en zien hoe Hij uit vrije goedheid alle mensen roept zonder onderscheid, goede zowel als kwade, niemand uitgezonderd, en hen uitnodigt tot vereniging met Hem. Ten tweede moeten wij beschouwen hoe de goedheid Gods uitvloeit in alle mensen, die Gods roep beantwoorden. Ten derde moeten wij klaar en duidelijk in onszelf ondervinden en begrijpen dat wij één leven en één geest met God kunnen worden als wij onszelf op alle gebied verloochenen en leven volgens de genade Gods tot bij het hoogste waar zij ons brengen wil. Want de genade Gods werkt ordelijk in elke mens, naar de mate en de wijze van zijn ontvankelijkheid.

Alles wat wij zijn en alles wat wij in- en uitwendig ontvangen hebben, het zijn allemaal vrije gaven van God waarvoor wij Hem danken en waarmee wij Hem moeten dienen, als wij Hem willen behagen. Er zijn vele gaven Gods, die voor de goeden een hulp zijn en een gelegenheid tot deugd; voor de kwaden integendeel een hulp en gelegenheid tot zonde, zoals gezondheid, schoonheid, wijsheid, rijkdom en een goede naam in de wereld. Dit zijn de laagste en de minst waardevolle gaven die God aan allen schenkt, tot nut zowel van zijn vrienden als van zijn vijanden, van goeden en van kwaden. En hiermee dienen de goede mensen God en zijn vrienden, de kwaden hun eigen vlees, de duivel en de wereld.

Men kan zien dat sommige mensen Gods gaven ontvangen als gehuurde krachten van God en anderen als trouwe dienaren. Beide groepen verschillen onderling van elkaar, zowel in hun liefde als in hun intentie, zowel in hun gevoelens als in al de inwendige werken en de oefeningen van hun leven.

Let wel op het volgende: al de mensen die zichzelf zo ongeregeld liefhebben dat zij God niet anders willen dienen dan om eigen gewin en eigen profijt, houden zich op afstand van God en blijven onvrij, gevangen in hun eigenliefde. Want zij zoeken en hebben zichzelf op het oog in al hun doen en laten. Daarom streven zij met al hun gebeden en goede werken slechts tijdelijke dingen na, of als ze eeuwige nastreven, is het alleen om eigen baat en voordeel.

Deze mensen zijn ongeregeld gehecht aan zichzelf en daarom blijven zij altijd met zichzelf alleen, want de oprechte minne die hen verenigen zou met God en met al zijn geliefden, ontbreekt hun. En al schijnen deze mensen de wet van God en van de heilige kerk te onderhouden: zij onderhouden niet de wet van de liefde! Want al wat zij doen, doen zij uit dwang en niet uit liefde, namelijk om niet verdoemd te worden. En omdat zij innerlijk in feite ongelovig zijn, wagen zij het ook niet op God te vertrouwen. Integendeel, heel hun innerlijk leven is twijfel en angst, moeite en ellende. Zij zien immers ter rechterzijde het eeuwig leven, en dat vrezen zij te verliezen, en ter linkerzijde de eeuwige pijnen van de hel, en die vrezen zij te krijgen. Al het bidden en al het gezwoeg en alle goede werken die zij verrichten om deze angst te verdrijven: het baat hun niets. Want hoe meer ze zichzelf ongeregeld beminnen, hoe meer schrik ze ook hebben voor de hel. En hieruit kunt ge besluiten dat die vrees voor de hel voortkomt uit de liefde die zij voor zichzelf koesteren.