Ter voorbereiding van de viering van de zaterdag

Ter voorbereiding van de viering van de zaterdag

Uit de verhandeling van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), op psalm 86 (85)

Christus bidt voor ons, in ons en wij bidden tot Hem

God kon de mensen geen heerlijker weldaad bewijzen dan hun zijn eigen Woord, waardoor Hij alles geschapen heeft, als hoofd te schenken, en hen met dit hoofd te verbinden als zijn ledematen, opdat Hij Zoon van God en Mensenzoon zou zijn: één God met de Vader en één mens met de mensen. God deed dit, opdat wij niet tot Hem zouden bidden los van de Zoon. Hij wilde dat het lichaam van Christus niet zou bidden los van zijn hoofd, maar dat Hij de enige Verlosser van zijn lichaam zou zijn: onze Heer Jezus Christus, Zoon van God, die voor ons bidt, in ons bidt en tot wie wij bidden.

Hij bidt voor ons als onze priester; Hij bidt in ons als ons hoofd; Hij ontvangt onze gebeden als onze God. Laten wij dus onze stemmen in Hem herkennen en zijn stem in ons. Als er, vooral in de profetieën, dingen gezegd worden over de Heer Jezus Christus die God onwaardig zijn en Hem in zekere zin omlaag halen, laten wij er dan niet bang voor zijn ze aan Hem toe te schrijven, want Hijzelf is er niet voor teruggeschrokken zich tot een van de onzen te maken. Zeker, de hele schepping staat Hem ten dienste, want door Hem is de hele schepping gemaakt.

Wij dringen door in zijn goddelijkheid en daarmee in zijn verhevenheid, als wij horen zeggen: ‘In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden’ (Joh. 1, 1-3). Hier richten we onze blik op de goddelijkheid van de Zoon van God, die boven alles verheven is en uitgaat boven de volmaaktste schepselen. Maar het is ook in de Schrift dat wij Hem horen weeklagen, bidden en belijden.

Wij schrikken ervoor terug deze dingen aan Hem toe te schrijven. Onze geest, nog geheel vervuld van de overdenking van zijn goddelijk wezen, is niet bereid tot zijn nederigheid af te dalen. Wij vrezen Hem te beledigen door te erkennen dat onze woorden van een mens zijn, tot wie wij onze woorden richten wanneer wij tot God bidden. Daarom aarzelt onze geest en probeert een andere uitleg aan deze woorden te geven. Maar de Schrift levert ons geen andere oplossing dan niet te wijken voor de werkelijkheid dat God zelf weeklaagt, smeekt en belijdt.

Laat onze geest waakzaam zijn en goed opletten in diep geloof. Dan zal hij opmerken dat degene die hij eerst heeft beschouwd in zijn goddelijke staat, de gedaante van een slaaf heeft aangenomen en zichzelf gelijk heeft gemaakt aan de mensen. Hij heeft zich gedragen als een mens. Hij heeft zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood. Hij heeft de woorden van de psalmist tot de zijne willen maken, toen Hij hangende aan het kruis, uitriep: ‘Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij?’ (Ps. 22 (21), 1).

Als God ontvangt Hij onze gebeden; in de gestalte van een mens bidt Hij ze zelf. Enerzijds Schepper, anderzijds schepsel, is Hijzelf niet veranderd, maar neemt Hij de gestalte aan van een veranderlijk schepsel om het te veranderen en maakt van zichzelf en ons één enkele mens, hoofd en lichaam. Laten wij dus bidden tot Hem, door Hem en in Hem; laten wij spreken met Hem, en Hij spreekt samen met ons.