Ter voorbereiding van de viering van de zaterdag

Ter voorbereiding van de viering van de zaterdag

Uit de verhandeling van de heilige Ireneüs, bisschop van Lyon († ca. 202), ‘Tegen de ketterijen’

Het zuivere offer van de kerk

De offergave van de kerk, die men naar het voorschrift van de Heer moet brengen over de hele wereld, geldt als een zuiver offer ten overstaan van God, en dat offer is Hem welgevallig. Dit betekent niet dat God behoefte heeft aan een offer van onze kant, wel dat juist degene die het offer brengt, verheerlijkt wordt door wat hij aanbiedt, als zijn geschenk aanvaard wordt. Immers, het geschenk aan onze Koning is een eerbetoon en een teken van genegenheid. De Heer wil dat wij in alle eenvoud en onschuld offergaven komen brengen. Die wens heeft Hij met de volgende woorden verkondigd: ‘Als gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te bieden’ (Mt. 5, 23-24). Het is dus onze taak om God de eerstelingen van zijn schepping aan te bieden. Dat zegt ook Mozes al: ‘Niemand mag met lege handen voor de Heer verschijnen’ (Deut. 16, 16). In zoverre als de mens zich dankbaar betoont, wordt hem die dank aangerekend en valt hem van Godswege eer ten deel.

Het verschijnsel ‘offer’ als zodanig heeft geen afkeuring gevonden. Want offers zijn er net zo goed hier als daar. En geofferd werd er door het joodse volk en geofferd wordt er ook door de huidige kerk. Wel is het karakter van het offer veranderd. Immers, nu wordt er niet meer geofferd door slaven, maar door vrije mensen. Het is een en dezelfde Heer gebleven. Zoals het offer van slaven zijn eigen karakter heeft, zo heeft ook het offer van vrije mensen dat. Zodoende levert ook de wijze van offeren het bewijs voor de vrijheid. Bij God is niets nutteloos, niets zonder betekenis en niets zonder zeggingskracht. En daarom wijdden de oude joden een tiende deel van hun bezittingen aan de Heer. Zij die de vrijheid verkregen hebben, stellen al hun persoonlijke bezittingen ter beschikking van de Heer. Blijmoedig en vrijgevig doen zij afstand van niet bepaald het geringste, omdat zij hoopvol iets van nog grotere waarde verwachten. Zo was het ook bij die arme weduwe die haar hele levensonderhoud in de schatkist van de Heer wierp (vgl. Lc. 21, 1-2).

Wij moeten aan God de offergave brengen en ons in alles dankbaar betonen tegenover de Schepper, in een zuivere gezindheid en een oprecht geloof, in een standvastige hoop en een vurige liefde. Zo bieden wij aan God de eerstelingen van zijn eigen schepselen aan. Alleen de kerk brengt deze offergave aan de Schepper in zuivere vorm, doordat zij onder dankzegging aanbiedt wat uit Gods schepping voortkomt.

Wij offeren aan God wat van Hemzelf is. Zo verkondigen wij passend de gemeenschap en eenheid van het lichaam en de Geest. Want zoals het brood van de aarde door de aanroeping van God geen gewoon brood meer is, maar de eucharistie, en dus eigenlijk een aards en een hemels aspect heeft, zo ook zijn onze lichamen die delen in de eucharistie, niet meer vergankelijk, maar bezitten zij de hoop op de verrijzenis.