Ter voorbereiding van de viering van de zaterdag

Ter voorbereiding van de viering van de zaterdag

Uit de verhandeling van de heilige Ireneüs, bisschop van Lyon († ca. 202), ‘Tegen de ketterijen’

Het verbond van de Heer

Mozes zegt in het boek Deuteronomium tot zijn volk: ‘De Heer onze God heeft bij de Horeb met ons een verbond gesloten. Niet met onze voorouders heeft de Heer dat verbond gesloten, maar met ons’ (Deut. 5, 2-3).

Waarom heeft Hij het verbond dan niet met de voorouders gesloten? Omdat ‘de wet er niet is voor de rechtvaardigen’ (1 Tim. 1, 9). En de voorouders waren rechtvaardig, omdat zij de kracht bewaarden van de tien geboden die in hun hart en ziel gegrift waren. Zij beminden immers God, die hen geschapen had, en zij onthielden zich met betrekking tot hun naasten van onrecht. Daarom was het niet noodzakelijk hen met woorden te berispen en tot de orde te roepen, omdat zij de rechtvaardigheid in zich hadden.

Toen echter deze rechtvaardigheid en de liefde die zij jegens God betoond hadden, in Egypte in vergetelheid waren geraakt en verloren waren gegaan, kon het niet anders of God maakte zich door zijn grote welwillendheid jegens de mensen kenbaar door middel van zijn stem.

In zijn grote kracht leidde Hij het volk uit Egypte, opdat de mens weer de leerling en volgeling van God zou worden. En hen die niet wilden luisteren, bestrafte Hij, opdat de mens zijn Schepper niet zou verachten.

Hij voedde de mensen met manna om hen geestelijk voedsel te laten ontvangen, zoals ook Mozes zegt in Deuteronomium: ‘De Heer heeft u het manna te eten gegeven dat gij noch uw vaders ooit hadden gezien. Hij wilde u daardoor laten beseffen dat de mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat uit de mond van de Heer komt’ (Deut. 8, 3).

God onderrichtte de liefde tot Hem en Hij prentte de mensen de rechtvaardigheid in ten opzichte van de naaste, opdat zij noch onrechtvaardig, noch God onwaardig zouden zijn. Zo bereidde Hij door de tien geboden de mens voor op de vriendschap met God en op de eensgezindheid jegens de naaste. Die deugden kwamen juist de mens ten goede, want God had van de mens geen enkele deugd nodig.

Dit alles verhoogde het aanzien van de mens; het voorzag in wat de mens te kort kwam, namelijk de vriendschap met God. Van zijn kant echter had God er geen baat bij. Immers, God heeft geen behoefte aan de liefde van de mens. Het was juist de mens die behoefte had aan de heerlijkheid van God. Die heerlijkheid kon de mens alleen bereiken door God te gehoorzamen. Daarom zegt Mozes andermaal tot hen: ‘Kies dan het leven, dan zult gij met uw nakomelingen het leven bezitten, door de Heer uw God te beminnen, naar Hem te luisteren en aan Hem gehecht te blijven. Want daarvan hangt het af, of gij zult leven en of gij lang zult wonen op deze grond’ (Deut. 30, 19-20).

Op dit leven van gehoorzaamheid wilde de Heer de mens voorbereiden. Daarom heeft Hijzelf in eigen persoon tot allen zonder uitzondering de woorden van de tien geboden gesproken. En daarom blijven die woorden voor ons allen zonder uitzondering van kracht. Door de menswording van de Heer hebben ze een uitbreiding en verbreding gekregen, maar ze hebben niets aan kracht ingeboet.

Welnu, de voorschriften van de knechtschap heeft God apart door Mozes aan het volk gegeven. Zij dienden tot onderrichting of opvoeding van de mensen. In die geest spreekt ook Mozes zelf: ‘Mij heeft de Heer in die tijd bevolen u te onderrichten in de voorschriften en bepalingen’ (Deut. 4, 14).

Daarom heeft God de voorschriften die Hij de mensen voor hun knechtschap en als tekens gegeven had, afgeschaft door het nieuwe verbond van de vrijheid. De natuurlijke voorschriften echter, die passen bij vrije mensen en gemeenschappelijk zijn aan allen, heeft God vermeerderd. Door de mensen als zijn kinderen aan te nemen gaf Hij hun onbaatzuchtig en in overvloed de mogelijkheid om God te leren kennen als vader, Hem te beminnen met heel hun hart en onafgebroken zijn Woord te volgen.

Mozes, de dienaar van de Heer, vastte veertig dagen en veertig nachten om de wet van God te ontvangen.

Mozes ging de berg Sinaï op naar de Heer en verbleef daar veertig dagen en veertig nachten.

Om de wet van God te ontvangen.