Ter voorbereiding van de viering van de zaterdag

Ter voorbereiding van de viering van de zaterdag

Uit het commentaar van de heilige Johannes Chrysostomus, bisschop van Constantinopel († 407), op de brief aan de Romeinen

Waar blijft de eigen roem?

De Apostel zegt: ‘Waar blijft de eigen roem? Die is onmogelijk geworden! Door welke wet? Door die van de werken? Neen, door de wet van het geloof’ (Rom. 3, 27). Paulus spant zich echt in om aan te tonen dat het geloof een kracht heeft die de wet zich zelfs niet eens heeft kunnen voorstellen.

En als hij vraagt: ‘Waar blijft de eigen roem?’ antwoordt hij niet: ‘Die is verdwenen; die is voorbij’, maar wel: ‘Die is onmogelijk geworden.’ Dit betekent: die is misplaatst; daar is geen tijd meer voor. Zoals het te laat is om zich te bekeren, als het oordeel voor de deur staat, zo was het voor de mensen te laat om zich te beroepen op hun rechtvaardiging door de wet. Immers, toen het oordeel was geveld dat allen moesten sterven, is Hij gekomen die al dat onheil wegneemt door zijn genade. Als ze wilden roemen op de werken van de wet, hadden ze dat moeten doen vóór zijn komst. Toen Hij gekomen is die redt door het geloof, was het te laat voor betwisting; dan staan allen onder beschuldiging en redt Hij in genade.

Daarom is Hij slechts nu gekomen. Als Hij in het begin gekomen was, hadden ze kunnen zeggen dat men door de wet, door eigen inspanning en door zijn eigen goede daden gered kon worden. Om die verwaandheid de mond te snoeren, bleef Hij heel lang weg. Nadat duidelijk gebleken zou zijn dat ze er uit zichzelf niet toe in staat waren, kwam Hij om hen te redden in genade. Daarom heeft Paulus, toen hij eerder zei: ‘Hij heeft zijn gerechtigheid willen tonen’, eraan toegevoegd: ‘nu, in deze tijd’ (Rom. 3, 27).

Als iemand dit zou tegenspreken, zou hij hetzelfde doen als de zware misdadiger die, toen hij zich voor de rechtbank niet kon verdedigen, veroordeeld werd, en aan wie, toen hij gestraft ging worden, door de keizer genade werd verleend en die dan, na deze genade te hebben gekregen, gaat pochen en beweren dat hij niets misdaan heeft. Hij had dat moeten bewijzen voordat hem genade werd verleend. Daarna is het te laat om te pochen.

Christus kwam, omdat de mensen uit zichzelf veroordeeld waren. Door zijn komst ontnam Hij hun elke reden om te roemen. Wie beweert kinderen te onderrichten, zich beroemt op de wet, zichzelf opvoeder van onverstandigen noemt, maar zo goed als zij onderwezen en gered moet worden, heeft geen enkele reden om te roemen.

Na gezegd te hebben dat eigen roem onmogelijk is geworden, toont Paulus eveneens hoe dit roemen onmogelijk is geworden en zegt hij: ‘Door welke wet? Door die van de werken? Neen, door de wet van het geloof’ (Rom. 3, 27).