Ter voorbereiding van de viering van de zaterdag

Ter voorbereiding van de viering van de zaterdag

Uit de verhandeling van de heilige Athanasius, bisschop van Alexandrië († 373), tegen de Arianen

Het beeld van de wijsheid is afgedrukt in het scheppingswerk

Een geschapen beeld van de wijsheid bestaat in ons en in heel het scheppingswerk. Daarom zegt de echte, scheppende wijsheid terecht, terwijl zij op zichzelf betrekt wat een eigenschap is van haar afdruk: ‘De Heer heeft mij geschapen in zijn werken’ (Spr. 8, 22). Want dit zijn woorden van de wijsheid die in ons is, maar de Heer spreekt ze uit alsof het Hemzelf betreft.

Hij is zelf niet degene die geschapen wordt, want Hij is de Schepper, maar Hij heeft een beeld van zichzelf gemaakt in zijn schepping en daarom zegt Hij dit als het ware over zichzelf. En zo heeft de Heer zelf gezegd: ‘Wie u opneemt, neemt Mij op’ (Mt. 10, 40), want zijn beeld bestaat in ons. En al behoort Hij dus niet tot het geschapene, toch is zijn beeld in zijn werken afgedrukt, en daarom zegt Hij, alsof Hij het over zichzelf heeft: ‘De Heer heeft mij geschapen in zijn werken, als een begin van zijn wegen’ (Spr. 8, 22 – LXX).

Die afdruk van de wijsheid in het scheppingswerk is er juist om de wereld daarin het Woord als haar schepper te doen kennen en door Hem de Vader. En dit is wat Paulus heeft gezegd: ‘Wat men van God kan weten, is in feite onder hen bekend. God zelf heeft het hun geopenbaard. Van de schepping der wereld af wordt zijn onzichtbaar wezen door de rede in zijn werken aanschouwd’ (Rom. 1, 19-20). Dus is het Woord in wezen niet een schepsel en de tekst uit het boek Spreuken doelt op de wijsheid die in ons aanwezig is of geacht wordt te zijn.

Maar als onze tegenstanders, de Arianen, dat niet geloven, laten zij ons dan zelf vertellen of er zoiets als wijsheid bestaat in de schepselen of niet. Als die niet bestaat, hoe kan Paulus dan het verwijt maken: ‘In Gods wijsheid heeft de wereld met al haar wijsheid God niet gevonden’ (1 Kor. 1, 21)? En als er geen wijsheid bestaat, hoe kan er dan in de Schrift sprake zijn van ‘een groot aantal wijzen’ (Wijsh. 6, 24)? En ook: ‘De wijze is behoedzaam en vermijdt het kwade’ (Spr. 14, 16) en ‘door wijsheid wordt een huis gebouwd’ (Spr. 24, 3).

In het boek Prediker staat: ‘De wijsheid van een mens doet zijn gelaat stralen’ (8, 1). En aan onbezonnen mensen wordt het verwijt gemaakt: ‘Vraag niet waarom de tijden vroeger beter waren dan nu; zoiets vragen getuigt niet van wijsheid’ (Pred. 7, 10).

Ook Jezus Sirach zegt: ‘God heeft haar uitgestort over al zijn werken; in al wat leeft is zij aanwezig, zoals Hij haar geeft. Hij deelt haar toe aan wie Hem liefhebben’ (1, 10). Dit uitstorten doelt niet op het wezen van de eniggeboren wijsheid zelf, maar op de afbeelding ervan in de wereld. Waarom zou het dan ongelooflijk zijn, als de scheppende, waarachtige wijsheid zelf, waarvan de in de wereld uitgestorte wijsheid en kennis een afbeelding is, als het ware over zichzelf verklaart: ‘De Heer schiep mij in zijn werken’? De wijsheid die in de wereld is, is niet de scheppende wijsheid; zij wordt in de werken geschapen. Door haar verkondigt ‘de hemel Gods heerlijkheid en toont het uitspansel ons het werk van zijn handen’ (Ps. 19A (18A), 1).