Ter voorbereiding van de viering van de zaterdag

Ter voorbereiding van de viering van de zaterdag

Uit de geschriften van de heilige Alfonsus Maria de’ Liguori, bisschop van Santa Agata dei Goti († 1787)

De liefde tot Christus

Heel de heiligheid en de volmaaktheid van de ziel berusten op de liefde tot Jezus Christus, onze God, ons hoogste goed en onze Verlosser. Deze liefde is het die alle deugden die de mens naar de volmaaktheid leiden, tot eenheid brengt en in stand houdt.

Of verdient God soms niet al onze liefde? Eeuwig heeft Hij ons al lief. ‘Bedenk goed, mens,’ zo spreekt Hij ons toe, ‘dat Ik je voorging in mijn liefde voor jou. Je had het daglicht nog niet gezien en zelfs de wereld bestond nog niet of Ik beminde jou al. Zolang Ik ben, bemin Ik jou.’

Omdat God wist dat de mens zich liet lokken door weldaden, wilde Hij hem door zijn geschenken verplichten tot liefde voor Hem. Ik wil jacht maken op de mensen om Mij te beminnen met die strikken waarmee zij zich laten vangen: met teugels van liefde (vgl. Hos. 11, 4). Daartoe dienden alle geschenken waarmee Hij de mens overstelpte. Nadat Hij hem een ziel geschonken had, die naar zijn eigen beeld begiftigd was met geheugen, begrip en vrije wil, en nadat Hij hem een lichaam gegeven had dat voorzien was van zintuigen, schiep Hij voor hem ook de hemel en de aarde en een grote natuurlijke rijkdom. Dat alles schiep Hij uit liefde voor de mens, opdat al dat geschapene ten dienste zou staan van de mens en opdat de mens van zijn kant Hem zou beminnen uit dank voor zoveel weldaden.

Hij wilde ons niet alleen die mooie schepping geven, maar om onze liefde te winnen ging Hij zelfs zover dat Hij zichzelf totaal aan ons schonk. De eeuwige Vader gaf zijn enige Zoon aan ons. Toen Hij zag dat wij allen dood waren door de zonde en verstoken waren van zijn genade – wat deed Hij toen? Gedreven door zijn onmetelijke, ja, zoals de Apostel zegt, door zijn grote liefde voor ons (vgl. Ef. 2, 4 – Vulg.), zond Hij zijn beminde Zoon die voor ons de schuld zou voldoen en ons zou terugbrengen tot het leven dat ons door de zonde ontnomen was.

Met zijn Zoon, die Hij niet heeft gespaard om ons te vergeven, schonk Hij ons tevens elk goed: genade, liefde en het paradijs. Dat alles is ongetwijfeld minder waard dan zijn Zoon. ‘Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken?’ (Rom. 8, 32).