Ter voorbereiding van de viering van woensdag 07-04-2021

Ter voorbereiding van de viering van woensdag 07-04-2021

Uit een homilie van de heilige paus Gregorius de Grote († 604) over het evangelie

De ontmoeting met de verrezen Heer

In het evangelie van deze dag, dierbare broeders en zusters, hebt gij gehoord hoe de Heer verscheen aan twee leerlingen die onderweg waren. Zij geloofden niet en toch spraken zij met elkaar over Hem. Plotseling was Hij bij hen, maar in de gedaante waarin Hij zich vertoonde, herkenden zij Hem niet. Wat de Heer uitwendig, voor hun ogen, deed, beantwoordde dus aan wat er inwendig leefde in hun hart. Want innerlijk waren zij verdeeld tussen liefde en twijfel, en van zijn kant was de Heer hun wel uiterlijk nabij, maar Hij toonde niet wie Hij was. Bij deze leerlingen die over Hem spraken, was Hij weliswaar aanwezig, maar omdat zij over Hem twijfelden, verborg Hij voor hen zijn ware gelaat. Hij richtte wel het woord tot hen en verweet hun de verstoktheid van hun hart; Hij ontsloot hun de geheimen van de heilige Schrift die op Hem betrekking hadden, maar omdat Hij in hun geest een vreemdeling bleef, deed Hij alsof Hij verder moest gaan. Door deze houding aan te nemen deed de Waarheid die enkelvoudig is, niets dubbelzinnigs. Maar Hij deed zich zo aan hun ogen voor als Hij was in hun geest. De Heer wilde zien of zij die Hem nog niet als God beminden, Hem tenminste als vreemdeling konden liefhebben. Maar zij die door de Waarheid zelf vergezeld werden, konden onmogelijk ver van de liefde zijn: zij nodigden Hem dan ook uit om als een vreemdeling van hun gastvrijheid gebruik te maken. Uitnodigen is nog te weinig gezegd; in het evangelie staat: ‘Zij drongen bij Hem aan’ (Lc. 24, 29a). Want vreemdelingen moet men niet slechts uitnodigen, maar zelfs tegen hun zin meenemen.

‘Toen ging Hij met hen binnen’ (Lc. 24, 29b). Aanstonds dekken zij de tafel, bieden Hem een maaltijd aan en de Heer, die zij niet hadden herkend bij zijn verklaring van de heilige Schrift, herkennen zij nu aan het breken van het brood (vgl. Lc. 24, 35). Niet bij het aanhoren van Gods geboden werden zij verlicht, maar pas bij het uitvoeren daarvan gingen hun de ogen open. Er staat immers geschreven: ‘Niet de hoorders van de wet zijn rechtvaardig in Gods oog; alleen de onderhouders van de wet zullen gerechtvaardigd worden’ (Rom. 2, 13). Wie dus wil begrijpen wat hij heeft gehoord, moet zich haasten om het gehoorde in praktijk te brengen. Want de Heer werd niet herkend toen Hij sprak, maar Hij liet zich kennen toen men Hem een maaltijd aanbood.