Ter voorbereiding van de viering van de woensdag

Ter voorbereiding van de viering van de woensdag

Uit het boek van Diadochus, bisschop van Photikè († ca. 468), over de geestelijke volmaaktheid

Wij moeten alleen God beminnen

Diadochus, bisschop van Photikè

Wie zichzelf bemint, kan geen liefde hebben voor God, maar als iemand vanwege de overgrote rijkdom van de liefde tot God niet zichzelf bemint, dan bemint hij God. Daardoor komt het dat zo iemand nooit zijn eigen eer zoekt, maar die van God. Want wie zichzelf bemint, zoekt zijn eigen eer. Wie God liefheeft, bemint de eer van zijn Schepper.

Iemand die gevoelig is voor de liefde tot God, zal altijd als hij de geboden volbrengt, de eer van God zoeken en vreugde vinden in zijn eigen geringheid, want God komt vanwege zijn grootheid eer toe, maar de mens past bescheidenheid. Zo raken wij immers met God vertrouwd. Doen wij dat, dan zullen ook wij ons, naar het voorbeeld van Johannes de Doper, over de verheerlijking van Christus verheugen en zonder ophouden zeggen: ‘Hij moet groter worden, maar wij kleiner’ (Joh. 3, 30).

Ik ken iemand die het, ondanks zijn liefde tot God, toch nog betreurde dat hij God niet beminde zoals hij wilde. Hij had in zichzelf aanhoudend het vurige verlangen dat God in hem verheerlijkt werd en hijzelf in het niet verzonk. Die man weet niet wie hij is, zelfs als men hem lof toezwaait. Zijn verlangen naar nederigheid is zo groot dat hij niet op eigen waardigheid let. Hij dient God zoals de wet dat aan priesters voorschrijft, maar in zijn grote ijver om God te beminnen vergeet hij juist zijn eigen waarde. In zijn diepe genegenheid voor God en door zijn geest van bescheidenheid verwerpt hij een trotse gedachte over zijn positie. Zo vindt hij in zijn eigen bewustzijn zichzelf altijd slechts een onnutte dienstknecht, want hij is als het ware van zijn eigen waardigheid vervreemd door zijn verlangen naar nederigheid. Dat moeten ook wij doen: alle eer en roem ontvluchten vanwege de overgrote rijkdom van onze liefde voor God de Heer, die ons zo heeft bemind.

Wie door de intuïtie van zijn hart God bemint, wordt door Hem gekend (vgl. 1 Kor. 8, 3). Want hoe meer wij Gods liefde in ons opnemen, des te meer groeien wij in de liefde voor Hem. Daarom leeft zo iemand ook in een vurig verlangen naar de verlichting van zijn verstand, totdat hij merkt dat God hem ten diepste aangrijpt. Hij kent zichzelf niet meer, maar is geheel omgevormd door de liefde tot God.

Zo iemand is in dit leven en tegelijk is hij er niet. Hij bevindt zich nog in zijn lichaam, maar door de liefde is zijn ziel blijvend onderweg naar God. Rusteloos brandt nu zijn hart door het vuur van de liefde, onweerstaanbaar hecht zijn verlangen zich aan God, hij is als het ware voor eens en altijd aan de eigenliefde ontrukt naar de liefde tot God. Hij zegt als Paulus: ‘Zijn wij buiten onszelf, het is voor God; zijn wij nuchter, het is voor u’ (2 Kor. 5, 13).