Ter voorbereiding van de viering van de vrijdag

Ter voorbereiding van de viering van de vrijdag

Uit het commentaar van een onbekend schrijver (4de eeuw) op de brief aan de Romeinen

Wie sterft, zondigt niet meer; de dood is het einde van de zonde

‘Hoe zouden wij nog in zonde leven, wij die dood zijn voor de zonde?’ (Rom. 6, 2). Dit zegt Paulus, omdat wij dood waren voor God toen wij in zonde leefden. Immers, wie zondigt, leeft in de zonde, zoals wie niet zondigt, leeft voor God. Toen namelijk Gods genade door Christus over ons kwam en wij door dit geestelijk bad van genade herboren werden, begonnen wij te leven voor God en dood te zijn voor de zonde, dat is: de duivel. Sterven voor de zonde betekent toch: bevrijd worden van de zonde en dienaar van God worden. Laten wij daarom, nu wij eindelijk voor de zonde gestorven zijn, niet terugkeren tot het vroegere kwaad om niet opnieuw in de zonde te leven. Zouden wij weer voor God sterven, dan zouden wij onze waardigheid verliezen en ons weer blootstellen aan de straf waaraan wij ontkomen zijn.

het oude Rome

‘Gij weet toch dat de doop waardoor wij één zijn geworden met Christus Jezus, ons heeft doen delen in zijn dood?’ (Rom. 6, 3). Paulus zegt dit, opdat wij zouden weten dat wij, nu wij gedoopt zijn, niet meer moeten zondigen. Wanneer wij gedoopt worden, sterven wij immers samen met Christus. ‘De doop waardoor wij één zijn geworden met Christus Jezus, heeft ons doen delen in zijn dood’, betekent dat daarin al onze zonden sterven, opdat men ons hernieuwd, tot het leven herboren, zal zien verrijzen. Zoals Christus, gestorven aan de zonde, verrezen is, zo moeten ook wij door het doopsel hoop hebben op de verrijzenis. Het doopsel is dus de dood van de zonde, zodat er een andere geboorte op volgt die de mens met behoud van zijn lichaam geestelijk vernieuwt, waarbij alle oude slechte daden begraven worden.

Immers, ‘door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij, zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt, een nieuw leven zouden leiden’ (Rom. 6, 4). Wanneer Paulus dit zegt, dan geeft hij hiermee aan wat aan het begin van dit alles staat: ‘Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen verrijzen’, zegt Johannes (2, 19). ‘Jezus sprak echter over de tempel van zijn lichaam’ (Joh. 2, 21). En Hij is verrezen tot een nieuw leven dat geen sterven kent.