Ter voorbereiding van de viering van de vrijdag

Ter voorbereiding van de viering van de vrijdag

Uit een brief van de heilige martelaar Cyprianus, bisschop van Carthago († 258)

Beproefd door de geloofsafval van sommigen

Dierbare broeders en zusters, laat u niet in de war brengen door het feit dat op het einde der tijden bij sommigen hetzij het geloof onzeker wordt en wankelt, hetzij de godsvrucht afneemt en verdwijnt, hetzij de eendracht onbestendigheid vertoont en de vrede geen stand meer houdt. Dat dit zich op het einde der tijden zal voltrekken, is reeds voorspeld. De stem van de Heer en het getuigenis van de apostelen hebben aangekondigd dat op het einde van de wereld en met het naderen van de antichrist al het goede een stap terug zal doen en juist het kwade en het vijandige aan invloed zullen winnen.

Ofschoon wij in het einde der tijden leven, is in Gods kerk de kracht van het evangelie nog niet zo sterk in verval geraakt. De christelijke moed en het geloof zijn nog niet eerder zo diep gezonken. Het is nog niet zo erg. Er zijn nog een aantal bisschoppen die geenszins toegeven aan het algehele verval en aan de schipbreuk van het geloof. Dapper en standvastig als zij zijn, dragen zij grote zorg voor de godsvrucht en houden de eer van God en de waardigheid van het bisschopsambt in stand.

Wij herinneren ons en houden ons voor ogen dat Mattatias op dappere wijze opkwam voor de wet van God, ofschoon alle anderen toegevend waren en terugweken (vgl. 1 Makk. 2, 1-14); dat Elia, ondanks het gebrek aan moed bij de joden en hun verwijdering van de godsdienstige verplichtingen, standhield en op uitnemende wijze strijd leverde (vgl. 1 Kon. 17-19); dat Daniël, noch door de afgelegen, vreemde streek, noch door de voortdurende vijandelijke vervolgingen afgeschrikt, herhaaldelijk en op dappere wijze blijk gaf van een roemrijk getuigenis; en dat de drie mannen, ondanks hun jeugdige leeftijd en de dreigementen, trouw bleven, standhielden tegen de vlammen van Babylon en juist in gevangenschap de zege behaalden op de zegevierende koning (vgl. Dan. 3).

Weliswaar is er een aantal mensen die hun plicht verzaken of zelfs het geloof verraden: zij zijn in deze dagen begonnen zich binnen de kerk op te werpen tégen de kerk, en het geloof en de waarheid aan het wankelen te brengen. Toch houden bij het overgrote deel de oprechte gezindheid en het onverzwakte geloof stand; hun hart is alleen toegewijd aan hun Heer en God. Andermans ontrouw en geloofsafval brengen hun christelijk geloof niet ten val. Veeleer worden zij daardoor aangewakkerd en verheven tot de heerlijkheid overeenkomstig de aansporing van de Apostel: ‘Gij zegt dat sommigen van hen ontrouw zijn geworden? Dan vraag ik u: kan hun ontrouw Gods trouw tenietdoen? Dat nooit! Ook al is elke mens een leugenaar, God is waarachtig’ (Rom. 3, 3-4).