Ter voorbereiding van de viering van de vrijdag

Ter voorbereiding van de viering van de vrijdag

Uit de preek van een onbekend schrijver uit de tweede eeuw

Laten wij God belijden met daden

De Heer heeft ons zeer veel medelijden getoond. Want wij die leven, brengen geen offers meer aan dode goden, aanbidden deze niet meer, maar kennen door Hem de Vader van de waarheid. Wat betekent het kennen van de Vader anders dan dat wij Hem niet verloochenen door wie we de Vader kennen? De Heer zelf zegt: ‘Ieder die Mij bij de mensen belijdt, hem zal ook Ik als de mijne erkennen bij mijn Vader’ (Mt. 10, 32). Dat is dus ons loon als wij Hem belijden door wie we gered zijn. En hoe belijden we Hem? Door te doen wat Hij zegt en niet ongehoorzaam te zijn aan zijn geboden. Door Hem te eren, niet alleen met de lippen, maar met heel ons hart en heel ons verstand. Door Jesaja zegt Hij: ‘Dit volk eert Me wel met de lippen, maar hun hart is ver van Mij’ (Jes. 29, 13).

Laten we Hem niet alleen ‘Heer’ noemen, want dat zal ons niet redden. Hij zegt immers: niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal gered worden, maar die gerechtigheid doet (vgl. Mt. 7, 21). Laten we daarom Hem belijden, broeders en zusters, met daden: door elkaar te beminnen, geen echtbreuk te plegen, elkaar niet te belasteren, niet afgunstig te zijn, maar door sober te zijn, medelijdend en goed; we moeten elkaars lijden delen en we mogen niet gierig zijn. Met die werken belijden we Hem, niet met het tegenovergestelde. We moeten de mensen niet meer vrezen dan God. Als we dat wel doen, zegt ons de Heer: als ge aan mijn borst ligt maar mijn geboden niet onderhoudt, zal Ik u verstoten en u zeggen: ga weg van Mij; Ik ken u niet; Ik weet niet waar ge vandaan komt, werkers van ongerechtigheid.

Broeders en zusters, laten we daarom de strijd aanbinden in de wetenschap dat we een strijd te voeren hebben. Aan een gewone wedloop doen velen mee, maar niet allen verwerven de krans, doch slechts zij die zich veel moeite geven en moedig vechten. Laten wij zo strijden dat we allen de krans verwerven. Laten we, in de geestelijke strijd, de rechte baan volgen; met velen op het doel afgaan en strijden om de krans te verdienen. En als wij hem niet allen kunnen verwerven, laten we dan trachten er dichtbij te komen! We moeten weten dat wie vals speelt in een gewone wedstrijd, slagen krijgt, uitgesloten wordt en uit het stadion wordt gezet. Wat dan, dunkt u, zal er gebeuren met wie vals speelt in de geestelijke strijd? Van hen die het zegel van het doopsel niet bewaren, zegt de Heer immers: ‘Hun worm zal niet sterven en hun vuur niet uitgaan; en ze zullen weerzinwekkend zijn voor alle levenden’ (Jes. 66, 24).