Ter voorbereiding van de viering van de maandag

Ter voorbereiding van de viering van de maandag

Uit de ‘Spiegel der liefde’ van de zalige Aelred, abt van Rievaulx († 1167)

De hoogste vorm van naastenliefde

De hoogste vorm van naastenliefde bestaat erin zijn vijanden lief te hebben. Hiertoe kan niets ons beter inspireren dan het dankbaar herdenken van Christus’ wonderbare lijdzaamheid. Hij, aan wie ‘geen mens gelijk is in edele gestalte’ (Ps. 45 (44), 3), bood zijn beminnelijk gelaat aan om het door zondaars te laten bespuwen; zijn ogen, waarvan de blik het heelal regeert, liet Hij blinddoeken door misdadigers; zijn rug gaf Hij aan geselingen bloot; zijn hoofd, waar krachten en machten voor beven, liet Hij met scherpe dorens kronen; zichzelf gaf Hij aan spot en beschimping prijs; tenslotte verdroeg Hij geduldig het kruis, de spijkers, de lans, de gal, de azijn, en bij dit alles bleef Hij zacht, gedwee en sereen. Kortom, ‘zoals een lam dat ter slachting geleid wordt, en zoals een schaap dat stom is voor zijn scheerders, heeft Hij zijn mond niet geopend’ (Jes. 53, 7).

‘Vader, vergeef hun’, zei Hij. Wie kan er die wonderschone woorden aanhoren, vol van zachtheid, liefde en onverstoorbare sereniteit, zonder meteen zijn vijanden met alle genegenheid tegemoet te treden? ‘Vader, vergeef hun’: welke zachtheid, welke liefde zou er aan dit gebed nog kunnen toegevoegd worden? Toch voegde Hij er nog iets aan toe. Het volstond niet voor hen te bidden: Hij wilde hen ook nog verontschuldigen. ‘Vader,’ zei Hij, ‘vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen’ (Lc. 23, 34). Groot is hun misdaad, dat wel; maar klein is hun begrip. Daarom, ‘Vader, vergeef hun.’ Ze kruisigen, dat wel, maar wie ze kruisigen, weten ze niet: want als ze het beseft hadden, zouden ze nooit de Heer van de heerlijkheid gekruisigd hebben. Ze menen dat het om een overtreder van de wet gaat, om een bedrieger die zich goddelijkheid aanmatigt, om een verleider van het volk. Mijn gezicht hield Ik voor hen verborgen, mijn grootheid konden ze niet herkennen. Daarom, ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’

Dus moet de mens die de hoogste, zoetste vreugde van de naastenliefde smaken wil, ook zijn vijanden met oprechte liefde omarmen. Maar om te voorkomen dat dit goddelijke vuur van de liefde bekoeld wordt door de kilte van geleden onrecht, moet hij de ogen van zijn hart altijd gericht houden op het serene geduld van onze geliefde Heer en Verlosser.