Ter voorbereiding van de viering van de maandag

Ter voorbereiding van de viering van de maandag

Uit de brief van de heilige paus Clemens I († 101) aan de Korintiërs

Kom tot inkeer

Laten wij met aandacht het bloed van Christus beschouwen, en beseffen wij hoe kostbaar dit is voor God, zijn Vader. Dit bloed is immers vergoten om ons heil, en bracht aan heel de wereld de genade van de inkeer.

Gaan we alle geslachten van de wereld na en lezen wij hoe de Heer in ieder geslacht ‘gelegenheid tot inkeer heeft gegeven’ (Wijsh. 10, 12) aan hen die zich tot Hem wilden bekeren. Noach kondigde boete aan en die naar hem luisterden, werden gered. Jona meldde aan de Ninevieten de ondergang van de stad en zij die boete deden voor hun zonden, verzoenden met hun smeekbeden de Heer; zij verwierven redding, ook al waren zij voor God vreemden.

De bedienaren van Gods genade spraken, geïnspireerd door de heilige Geest, over de boetvaardigheid. De Heer zelf van het heelal sprak met een eed over de boetvaardigheid: ‘Zowaar als Ik leef,’ zegt de Heer, ‘Ik wil de dood van de zondaar niet, maar dat hij zich bekeert’ (Ez. 33, 11). Daaraan voegde Hij de prachtige uitspraak toe: ‘Huis van Israël, breek met uw ongerechtigheid. Zeg tot de kinderen van mijn volk: al reiken uw zonden van de aarde tot de hemel, en al zouden zij roder zijn dan scharlaken en zwarter dan een boetekleed, als gij u van ganser harte tot Mij keert en tot Mij zegt: Vader, dan zal Ik luisteren naar u, als naar een heilig volk’ (vgl. Sir. 35, 5; Jes. 1, 18).

Omdat Hij al zijn geliefden deelachtig wilde maken aan de boetvaardigheid, heeft Hij deze uitspraak bekrachtigd door zijn almachtige wil. Gehoorzamen wij daarom aan zijn verheven en glorierijke wil, vragend om zijn ontferming en biddend om zijn goedertierenheid. Wenden wij ons tot zijn barmhartigheid en bekeren wij ons door het laten varen van ijdele inspanningen, van twisten en naijver die ten dode voeren.

Laten wij dan nederig zijn van geest, broeders en zusters, en afleggen alle grootspraak en hoogmoed, onverstand en toorn en doen wat er geschreven staat, want de heilige Geest zegt: ‘De wijze moet niet roemen op zijn wijsheid, de sterke niet op zijn kracht, de rijke niet op zijn rijkdom. Wie toch wil roemen, hij moet roemen op de Heer, door Hem te zoeken en recht en gerechtigheid te beoefenen’ (Jer. 9, 22-23; 1 Kor. 1, 31). Voor alles moeten wij de woorden gedenken die onze Heer Jezus heeft gesproken, toen Hij onderricht gaf met redelijkheid, billijkheid en met groot geduld.

Aldus toch spreekt Hij: ‘Weest barmhartig, opdat gij barmhartigheid ondervindt; schenkt vergeving, opdat u vergeving wordt geschonken; zoals gij handelt, zal ook jegens u gehandeld worden; zoals gij geeft, zal ook aan u gegeven worden; zoals gij een oordeel velt, zult gij geoordeeld worden; zoals gij goedheid bewijst, zal ook u goedheid bewezen worden; met de maat waarmee gij meet, zult gij eveneens gemeten worden’ (vgl. Mt. 5 en 7 passim).

Laten wij ons door dit gebod en deze voorschriften sterken, om voort te kunnen gaan, gehoorzaam aan zijn heilzame woorden en nederig van geest. Zijn heilig woord zegt immers: ‘Op wie rusten mijn ogen anders dan op hem die deemoedig is en gebroken van hart, en die beeft voor mijn woord’ (Jes. 66, 2).

Omdat wij vele en grote en eervolle zaken deelachtig zijn geworden, willen wij ons weer richten op het doel van de vrede, dat ons vanaf het begin is overgeleverd, en opzien naar de Vader en Schepper van heel de wereld en met kracht vasthouden aan zijn heerlijke en alles overtreffende gaven van vrede en aan zijn weldaden.