Ter voorbereiding van de viering van de maandag

Ter voorbereiding van de viering van de maandag

Uit het commentaar van de heilige Cyrillus, bisschop van Alexandrië († 444), op de eerste brief aan de Korintiërs

Huwelijk en maagdelijkheid

Christus verbiedt het niet als iemand een wettig huwelijk verlangt aan te gaan. Maar Hij zal ons niet tegenhouden het grotere te doen, wanneer wij zouden wensen een verheven doel te bereiken. Het is een zeer groot goed, zegt Paulus derhalve, voor de ongehuwden en de weduwen ‘als zij blijven zoals ik, maar aan de gehuwden beveel ik, of liever niet ik maar de Heer: de vrouw mag niet scheiden van haar man’ (1 Kor. 7, 8.10). Paulus houdt zichzelf voor als voorbeeld van een buitengewoon en niet door zorgen heen en weer geslingerd leven, en hij stelt het ongehuwde leven boven het gehuwde. En daarom zegt hij: ook voor het geval dat iemand bevrijd is van het juk van het wettige huwelijk, kan hij beter in onthouding blijven, want zo zal hij het rijk van God beërven. Hij die de zegekrans verleent, bevestigt dat met de woorden: ‘Zo spreekt de Heer tot de ongehuwden: zij die mijn sabbat onderhouden, en verkiezen wat Mij welgevallig is, en vasthouden aan mijn verbond, aan hen geef Ik in mijn huis en binnen mijn muren een gedenksteen en een naam, die zonen en dochters te boven gaat, een eeuwige naam geef Ik hun, een die nooit wordt uitgewist’ (Jes. 56, 4.5 – LXX).

Een waardig loon dus staat de onthouding te wachten. Aan wie door de huwelijksband verbonden zijn, staat Paulus niet toe het samenleven met de eenmaal gehuwde vrouw op te geven, opdat de verkondiging van het heil de wereld niet met verwarring vervult. Ook ons aller redder, Christus, wilde de scheiding niet goedkeuren, ofschoon de wet met een zeker respect dit wel toestond aan de ouden, zoals de Verlosser zelf zegt: vanwege de hardheid van hun hart (vgl. Mt. 19, 8).

Hun geest was zwak en wankelmoedig, bij ons is het echter anders. Wij toch zijn gezalfd door de heilige Geest en als kinderen van God aangenomen, en in ons heeft Christus zijn woontent opgeslagen. Zo zijn wij bevestigd in elke soort van deugd. Wij vrezen volstrekt geen enkele band met welke ongelovige ook (vgl. 1 Kor. 7, 12-14). Veeleer vertrouwen wij dat wij hen voor het geloof zullen winnen en dat wij niet aan hun onwetendheid ten prooi zullen vallen. Wij heiligen eerder hen die niet geloven dan dat wij door hen ontheiligd worden. Er staat toch: ‘mét de vrouw is de niet-gelovige man geheiligd’ (1 Kor. 7, 14), en zo zijn ook uw kinderen heilig.