Ter voorbereiding van de viering van de maandag

Ter voorbereiding van de viering van de maandag

Uit de Centuriën van de heilige Maximus de Belijder, abt van Chrysopolis († 662)

Zonder de liefde is alles ijdel

Maximus de Belijder

De liefde is een goede geestesgesteldheid die erin bestaat niets te verkiezen boven de kennis van God. Hij echter die neigt naar aardse zaken, kan onmogelijk deze liefde verwerven.

Hij die God bemint, verkiest de kennis van God boven al wat Hij geschapen heeft; ononderbroken en vol verlangen legt hij er zich op toe.

Al wat bestaat, is door God en omwille van God gemaakt; God staat boven wat door Hem gemaakt is. Wie God die onuitsprekelijk beter is, verlaat en zich bezighoudt met minderwaardige zaken, toont hiermee aan dat voor hem de schepselen Gods eerbiedwaardiger zijn dan God zelf.

‘Als gij Mij liefhebt,’ zegt de Heer, ‘zult ge mijn geboden onderhouden’ (Joh. 14, 15). ‘Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt’ (Joh. 15, 12). Hij dus die zijn naaste niet liefheeft, onderhoudt het gebod niet. En wie het gebod niet onderhoudt, kan ook de Heer niet liefhebben.

Zalig de mens die bij machte is elke mens op gelijke wijze lief te hebben.

Wie God liefheeft, bemint ook zijn naaste zonder voorbehoud. Zo iemand kan niet zijn bezittingen voor zich houden, maar verdeelt ze naar het voorbeeld van God. Hij geeft ervan aan alle noodlijdenden.

Hij die in navolging van God aalmoezen geeft, kent geen verschil tussen een goed en een slecht iemand, een rechtvaardige en een onrechtvaardige, als het gaat om de noden van het lichaam. Zonder onderscheid geeft hij aan ieder naar behoefte, ook al geeft hij de voorkeur aan een deugdzaam mens, omwille van zijn goede gezindheid, boven een slecht iemand.

Men herkent de liefde niet alleen aan het uitdelen van bezittingen, maar veel meer nog aan het meedelen van Gods woord en de daadwerkelijke dienstbaarheid.

Hij die inderdaad afstand genomen heeft van de dingen van deze wereld en zijn naaste liefdevol en ongeveinsd ten dienste staat, zal weldra bevrijd worden van elke hartstocht en aangesteld worden tot deelgenoot van Gods liefde en kennis.

Wie Gods liefde in zich draagt, wordt niet moe de Heer zijn God na te volgen, zoals de man Gods Jeremia zegt (vgl. Jer. 17, 16 – LXX). Moedig verdraagt hij elke last, beschimping en smaad, zonder ook maar iemand kwaad toe te wensen.

De profeet Jeremia verkondigt: zegt niet dat wij de tempel van de Heer zijn (vgl. Jer. 7, 4). Wilt gij evenmin zeggen: het geloof in onze Heer Jezus Christus zonder meer volstaat om mij te redden. Dit is immers onmogelijk, als gij u ook niet door goede werken de liefde tot Hem verwerft. Wat het geloof zonder meer betreft, zegt de Schrift: ‘Ook de boze geesten geloven, en sidderen’ (Jak. 2, 19).

Het werk van de liefde is: welgemeend goed zijn voor de naaste, grootmoedig en geduldig zijn, en rechtvaardig met uw bezit omgaan.