Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Uit de geschriften van Clemens van Alexandrië († vóór 215)

Ons gehele leven door moeten wij God vereren

In de overtuiging dat Christus onze redder en heerser is, moeten wij het Woord aanbidden en vereren en door Hem de Vader, niet slechts op bijzondere dagen zoals sommige anderen dat doen, maar onafgebroken, ons hele leven door, terwijl wij ons op alle mogelijke manieren hierop richten. Inderdaad zegt het uitverkoren geslacht (vgl. 1 Petr. 2, 9): ‘Ik prijs U zeven maal elke dag’ (Ps. 119 (118), 164) en ter rechtvaardiging wordt dan gewezen op de gehoorzaamheid aan dit gebod.

Zo komt het dat de geestelijke mens niet alleen op een bepaalde plaats of in een speciaal heiligdom, ja ook niet alleen op sommige feesten of aparte dagen, maar zijn hele leven door op iedere plaats, of hij nu alleen is, of ergens samen met mensen die zijn geloof delen, God eert, dat wil zeggen: Hem dankt voor het inzicht en de levenswandel.

Als de aanwezigheid van een goed mens door het respect en het ontzag dat hij afdwingt, altijd een goede uitwerking heeft op iemand die hem ontmoet, hoeveel te meer moet dan hij die door zijn kennis, zijn levenswijze en zijn dankzegging zonder onderbreking met God verkeert, terecht in elk opzicht uitstijgen boven zichzelf door zijn daden, zijn woorden en zijn levenshouding.

Op deze wijze leeft iemand, die ervan overtuigd is dat God overal aanwezig is en die niet denkt dat God opgesloten is in een bepaalde plaats. Want dan zou men bij de gedachte ooit zonder God te zijn, dag en nacht zijn gang kunnen gaan.

Daarom is geheel ons leven een groot feest: wetend dat God altijd en overal aanwezig is, prijzen wij Hem, terwijl wij het land bebouwen, zingen wij hymnen als wij de zee bevaren, en gedragen wij ons bij alle andere maatschappelijke plichten zoals het behoort.

Maar de geestelijke mens heeft een nog inniger band met God en is daardoor tegelijk ingetogen en opgewekt in alles: ingetogen door zijn omgang met het goddelijke, en opgewekt door zijn kijk op de menselijke goederen die God ons schenkt.

Ook al wordt het goede geschonken zonder smeekbede, toch is het niet overbodig God iets te vragen. Zo zijn de dankzegging en het gebed om de bekering van de naaste voor een geestelijk mens een plicht. Ook de Heer heeft zo gebeden om te danken voor de vervulling van zijn bediening en Hij vroeg dat zoveel mogelijk mensen de kennis zouden verwerven, opdat zij die daardoor worden gered, God verheerlijken. Dan zal door zijn Zoon de kennis van Hem, die alleen goed is en alleen onze redder, van eeuw tot eeuw blijven. In feite is ook het geloof dat men het gevraagde zal verkrijgen, een soort gebed dat in de geest van de mens ligt opgeborgen.

Dienaren en vereerders van het goddelijke zijn dus zij die de meest vrije en de meest koninklijke eredienst verrichten, namelijk die van een plichtsgetrouwe geest en een toegewijde kennis.