Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Uit de Pastorale Regel van de heilige paus Gregorius de Grote († 604)

Gehoorzaamheid aan Gods wil

Sommigen ontvangen uitzonderlijk goede eigenschappen en zij worden door hun talenten naar voren geschoven als leiders van de anderen. Zij zijn zuiver door het betrachten van de kuisheid, gezond door een ascetische levenswijze en doorvoed van de spijzen van de goddelijke leer. Zij zijn meegaand door hun lankmoedig geduld, maar onverzettelijk door hun krachtig gezag. Zij zijn liefdevol en mild, maar rechtvaardig en streng. Als zij een verzoek tot het vervullen van een hoge bestuursfunctie afwijzen, dan beroven zij natuurlijk zichzelf meestal juist van die gaven die zij niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen ontvingen. En wanneer zij alleen hun eigenbelang beogen en niet dat van anderen, dan onthouden zij zichzelf juist dat goed dat zij alleen voor zichzelf wilden houden.

Want daarom zei Christus die de waarheid is, tot zijn leerlingen: ‘Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt! Men steekt toch ook niet een lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten, maar men plaatst ze op de standaard, zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn’ (Mt. 5, 14-15). Daarom zei Hij tot Petrus: ‘Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?’ (Joh. 21, 16). En toen deze meteen bevestigend antwoordde, kreeg hij te horen: ‘Als gij Mij bemint, hoed dan mijn schapen.’ Als de zorg om het hoeden van de kudde dus een bewijs van liefde is, dan bewijst ieder die ondanks zijn bekwaamheid weigert om Gods kudde te hoeden, dat hij de opperherder niet bemint. Daarom zei Paulus: ‘Een is gestorven voor allen. Maar dan zijn allen gestorven! En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die ter wille van hen is gestorven en verrezen’ (2 Kor. 5, 14-15).

Sommigen hebben wel veel talenten, maar zij verlangen er vurig naar zich uitsluitend te wijden aan de beschouwing; zij deinzen ervoor terug het nut te dienen van hun naasten door de verkondiging. Zij verkiezen rust in afzondering en streven naar een ongestoorde beschouwing. Strikt geoordeeld, staat de maat van hun schuld zonder enige twijfel in verhouding tot de grootte van het voordeel dat zij konden bieden bij hun inzet voor de algemene zaak. Van welke mentaliteit getuigt hij nu die kan uitblinken in dienstbetoon aan zijn naasten, maar zijn eigen rust boven het nut van de anderen stelt? Kwam de eniggeboren Zoon van de hoogste Vader niet uit de schoot van de Vader in ons midden om velen tot nut te zijn?

Ook zijn er die alleen uit nederigheid ervoor terugdeinzen: uit vrees dat zij gesteld worden boven diegenen waarvan zij zich de minderen achten. Hun nederigheid is, mits zij ook door de andere deugden wordt vergezeld, in Gods ogen dan pas oprecht, als zij niet koppig weigert een haar opgedragen taak tot algemeen nut te aanvaarden. Want niet echt nederig is hij die wel inziet dat hij door hemelse beschikking geroepen wordt tot leiding geven, maar toch het leiderschap weigert. Hij moet zich onderwerpen aan de goddelijke beschikking en zich afwenden van de ondeugd van onbuigzaamheid; en als hem een hoge bestuursfunctie wordt opgedragen, moet hij, daar hij de talenten bezit om ook anderen tot voordeel te zijn, in zijn hart weliswaar ervoor terugdeinzen, maar, zij het tegen wil en dank, de opdracht in gehoorzaamheid aanvaarden.