Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Uit de encycliek van paus Pius XI († 1939) bij het derde eeuwfeest van de dood van de heilige Josafat

Hij vergoot zijn bloed voor de eenheid van de kerk

de heilige Josafat

Door een wonderbare beschikking is de kerk bedoeld om in de volheid van de tijden één grote familie te zijn die geheel het mensdom omvat. Tot haar kenmerken behoort immers van Godswege haar wereldomspannende eenheid.

Want Christus de Heer heeft niet alleen de opdracht die Hijzelf van de Vader had ontvangen, aan de apostelen toevertrouwd, toen Hij zei: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen’ (Mt. 28, 18-19). Maar ook heeft Hij gewild dat het college van de apostelen in hoge mate één zou zijn, onderling nauw verbonden door een dubbele band. Vooreerst door de innerlijke band van hetzelfde geloof en dezelfde liefde ‘die in ons hart is uitgestort door de heilige Geest’ (Rom. 5, 5). Vervolgens door de uitwendige band van het gezag van één over allen. Hij heeft immers de voorrang boven de andere apostelen geschonken aan Petrus als het blijvend beginsel en de zichtbare grondslag van de eenheid.

Om deze eenheid en overeenstemming voor altijd te waarborgen, heeft de goddelijke Voorzienigheid aan de kerk het zegel verleend van heiligheid en martelaarschap.

Deze glorie is ten deel gevallen aan de aartsbisschop van Polotsk, Josafat, van de Slavisch-oosterse ritus, die wij met recht erkennen als een kostbaar sieraad en een steunpilaar van het Slavische Oosten. Niet licht zal men iemand vinden die de Slavische volken meer eer heeft aangedaan en meer heeft bijgedragen tot hun heil dan Josafat, hun herder en apostel, die voor de eenheid van de heilige kerk zijn bloed heeft vergoten. Door bovenaardse ingeving voelde hij zich geroepen om deze heilige eenheid overal te herstellen. Hij begreep dat hij hiertoe het best kon bijdragen als hij zowel de Slavisch-oosterse ritus als het kloosterleven volgens de regel van Basilius zou kunnen behouden binnen de ene universele kerk.

Intussen was hij vooral bezorgd voor de hereniging van zijn landgenoten met de zetel van Petrus. Overal zocht hij naar middelen om de eenheid te bevorderen, naar argumenten die zijn streven bevestigden. Daartoe bestudeerde hij in het bijzonder de liturgische boeken die de oosterse christenen, met name de afgescheidenen, volgens de voorschriften van de heilige Vaders gewoon waren te gebruiken.

Na deze zorgvuldige voorbereiding ging hij over tot het herenigingswerk. Hierbij legde hij tegelijkertijd zoveel energie en zoveel zachtmoedigheid aan de dag en had hij zoveel succes dat hij nog wel van zijn tegenstanders de bijnaam van ‘zielenrover’ kreeg.