Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Uit een preek van de priester Johannes Tauler († 1361) over de zaligsprekingen

Barmhartigheid en vrede

‘Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden’ (Mt. 5, 7).

Men zegt dat de barmhartigheid van God zijn werken overtreft, en daarom is een barmhartig mens een waarachtig goddelijk mens.

Want barmhartigheid wordt uit liefde en goedheid geboren. Deze moeten wij onder elkaar beoefenen, en als wij dat niet doen, zal onze lieve Heer daarover bij het laatste oordeel in het bijzonder recht spreken. Bij wie Hij deze noodzakelijke deugd niet vindt, hem zal Hij zijn barmhartigheid onthouden, zoals Hijzelf zegt. Hij zwijgt namelijk over de volmaaktheid en klaagt ons slechts aan, als wij niet barmhartig zijn geweest.

Onze barmhartigheid betreft niet alleen de gaven die wij wegschenken, maar gaat ook uit naar al het lijden dat de mensen treft of treffen kan. Wie dat alles niet met oprechte liefde en met werkelijk leed aanziet en wie niet elk lijden en elk gebrek met barmhartigheid beschouwt, die moet wel vrezen dat God hem zijn barmhartigheid onthoudt.

Want ‘de maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken’ (Mt. 7, 2). Daarom dient ieder op zijn hoede te zijn dat hij zijn naasten niet veroordeelt noch vervloekt, als hijzelf niet eeuwig vervloekt wil zijn.

‘Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden’ (Mt. 5, 9). Mensen die vervuld zijn van de ware vrede, zijn beminnelijke mensen en niemand kan hun die vrede ontnemen, noch in de tijd, noch in de eeuwigheid. Want zij zijn vanuit hun eigen wil volledig in Gods wil getreden, in vreugde en verdriet, in wel en wee, in tijd en eeuwigheid. Zij hebben hun werk en hun leven totaal in God verborgen, niet op een menselijke maar op een goddelijke, bovennatuurlijke wijze.

In de kracht van de Vader en in de wijsheid van de Zoon en in de innige liefde van de heilige Geest zijn zij gedoopt en daarvan zo doordrongen dat niemand hun de vrede ontnemen kan. Want zij zijn vol van het licht van de eeuwige wijsheid die hen doorstroomd heeft, en zo ook zijn zij vol van liefde. Men vindt in hen niets anders dan liefde en vrede, ondanks elke beroering.

Dat zijn zij die de vrede in hun hart dragen. Want ‘de vrede van God die alle begrip te boven gaat’ (Fil. 4, 7), heeft zo bezit van hen genomen dat niemand hem verjagen kan en zij zullen terecht kinderen van God worden genoemd; want wat de Eniggeborene van de Vader van nature heeft, dat wordt hun uit genade geschonken. Zij die de vrede in hun hart dragen, worden inderdaad in God en uit Gods hart geboren.