Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Uit een brief van Constant Lievens († 1893)

Geloofd zij Jezus Christus. Amen.

Heel ons leven moet een leven van vreugde en vrede zijn, zelfs te midden van onze droefheden. Mij lijkt dat elke droefgeestigheid en alle verdriet toch ver van ons, mensen, zou moeten zijn, aangezien de Heer zelf op het ogenblik dat Hij vanuit deze wereld ten hemel opsteeg, gezegd heeft: ‘Mijn vrede laat Ik u’ (Joh. 14, 27).

Het is altijd opnieuw de vrede die ons door de Heer in zijn evangelie alsook door de apostelen in hun brieven wordt verkondigd. Ik ben daarvan doordrongen en in de stilte geniet ik in mijzelf van die vrede, zonder daarover veel lawaai te maken. Luidruchtige blijdschap is zeker niet af te wijzen, maar ze staat ongetwijfeld ver ten achter tegenover de inwendige vreugde van de geest. Deze ondervindt men ’s avonds als men alleen op zijn koude kamer zit en men zich eenzaam voelt, alleen met God en met zichzelf. Als men zich dan niet kon verheugen in zijn eigen inwendige vreugde, zou het hier geen leven zijn.

Maar God zij geloofd. Ik voel me hier zo goed en zo gelukkig dat ik het niet kan zeggen: ‘O vriend, o vriend, de liefdegloed en blij genot van God zo zoet, doordringt mijn geest en hart.’

Dat is zo waar dat ik soms moet ophouden met studeren en mijn hoofd moet laten rusten op mijn boeken om mijn gedachten en mijn gevoelens de vrije loop te laten en te overwegen wat God gedaan heeft voor de mens, hoeveel schoonheid Hij neergelegd heeft in al zijn werken, in de natuur en in heel zijn schepping, hoe in alles zijn goddelijke voetstappen staan afgedrukt. In de natuur staan zijn voetstappen afgedrukt en in de mens heeft Hij zijn afbeelding, zijn eigen wezen achtergelaten. Hij heeft alles met evenwicht en maat geschapen en heel bijzonder heeft Hij de mens bemind met een oneindige liefde.

Deze bewondering voor Gods werken ligt niet zozeer in onze gevoelens als wel in onze geest. Ik zou er iedereen van willen doordringen. Het is immers een overtuiging die langzaam helemaal tot je doordringt, en je dan niet meer verlaat. Die dag van opgewekte vreugde breekt aan. Hoe koud, nevelachtig en duister de tijd ook mag zijn, ik ga er doorheen en draag God mee in mijn hart en in mijn ogen. Alles wat men tegen ons en tegen de waarheid kan inbrengen – en dat is soms nogal veel – laat ik over mij heengaan. Als ik ’s avonds ga slapen, zeg ik tot God en tot mijzelf: de dag is een weg naar de eeuwigheid. En ik vraag mij af of ik mij toch wel verbeterd heb en of ik deze dag toch wel heb doorgebracht voor hen met wie ik leef en die ik moet onderwijzen, dan wel voor mijzelf.

Geloofd zij Jezus Christus. Amen

Heel ons leven moet een leven van vreugde en vrede zijn, zelfs te midden van onze droefheden. Mij lijkt dat elke droefgeestigheid en alle verdriet toch ver van ons, mensen, zou moeten zijn, aangezien de Heer zelf op het ogenblik dat Hij vanuit deze wereld ten hemel opsteeg, gezegd heeft: ‘Mijn vrede laat Ik u’ (Joh. 14, 27).

Het is altijd opnieuw de vrede die ons door de Heer in zijn evangelie alsook door de apostelen in hun brieven wordt verkondigd. Ik ben daarvan doordrongen en in de stilte geniet ik in mijzelf van die vrede, zonder daarover veel lawaai te maken. Luidruchtige blijdschap is zeker niet af te wijzen, maar ze staat ongetwijfeld ver ten achter tegenover de inwendige vreugde van de geest. Deze ondervindt men ’s avonds als men alleen op zijn koude kamer zit en men zich eenzaam voelt, alleen met God en met zichzelf. Als men zich dan niet kon verheugen in zijn eigen inwendige vreugde, zou het hier geen leven zijn.

Maar God zij geloofd. Ik voel me hier zo goed en zo gelukkig dat ik het niet kan zeggen: ‘O vriend, o vriend, de liefdegloed en blij genot van God zo zoet, doordringt mijn geest en hart.’

Dat is zo waar dat ik soms moet ophouden met studeren en mijn hoofd moet laten rusten op mijn boeken om mijn gedachten en mijn gevoelens de vrije loop te laten en te overwegen wat God gedaan heeft voor de mens, hoeveel schoonheid Hij neergelegd heeft in al zijn werken, in de natuur en in heel zijn schepping, hoe in alles zijn goddelijke voetstappen staan afgedrukt. In de natuur staan zijn voetstappen afgedrukt en in de mens heeft Hij zijn afbeelding, zijn eigen wezen achtergelaten. Hij heeft alles met evenwicht en maat geschapen en heel bijzonder heeft Hij de mens bemind met een oneindige liefde.

Deze bewondering voor Gods werken ligt niet zozeer in onze gevoelens als wel in onze geest. Ik zou er iedereen van willen doordringen. Het is immers een overtuiging die langzaam helemaal tot je doordringt, en je dan niet meer verlaat. Die dag van opgewekte vreugde breekt aan. Hoe koud, nevelachtig en duister de tijd ook mag zijn, ik ga er doorheen en draag God mee in mijn hart en in mijn ogen. Alles wat men tegen ons en tegen de waarheid kan inbrengen – en dat is soms nogal veel – laat ik over mij heengaan. Als ik ’s avonds ga slapen, zeg ik tot God en tot mijzelf: de dag is een weg naar de eeuwigheid. En ik vraag mij af of ik mij toch wel verbeterd heb en of ik deze dag toch wel heb doorgebracht voor hen met wie ik leef en die ik moet onderwijzen, dan wel voor mijzelf.