Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Uit een brief van Hadewijch († 1260)

Het is in uw belang slechts te verlangen wat God wil

Gij zult van God niets eisen of verlangen, zelfs niet hetgeen gij zelf ofwel uw vrienden nodig hebben. Vraagt niet Hem te smaken, hoe dan ook, in blijdschap of vertroosting, tenzij Hijzelf dit wil. Hij kome en Hij ga naargelang zijn heilige wil beslist, en Hij moge met u doen al wat Hij wil, zoals het zijn waardigheid betaamt, en ook met hen, van wie gij wenst dat zij dit alles zouden leren. Het is in uw en hun belang slechts te verlangen wat God wil, en als gij voor hen bidt, vraag dan niet wat zijzelf volgens hun inzichten verkiezen. Want velen dolen in het schijnbaar hunkeren naar het heilige, terwijl zij, jammer genoeg, in lage troost genoegen zouden scheppen indien die hun geboden werd.

Daarom zult gij terecht Gods wil verkiezen en van harte wensen, zowel voor uzelf als voor uw vrienden, ten overstaan van Hem van wie gij toch zo graag iets aangenaams verkrijgen zoudt, om uw leven welgemoed in vreugde door te brengen.

Hierin nu mint men slechts zichzelf: door steeds in vreugde en vertroosting, in weelde en in waardigheid met God te willen leven, genietend van zijn heerlijkheid. Wij willen allen God met God zijn. Maar Hij weet best hoe weinigen onder ons als mens zijn mens-zijn willen delen, bereid zijn zijn kruis mee te dragen om zo, met Hem gekruisigd, ook de schuld van allen te vergelden.

Wij kunnen ons hierin goed herkennen, als ons het lijden moeilijk valt en wij haast niets kunnen verdragen. Een klein verdriet dat onverhoeds ons treft, een weinig smaad of laster, onverdiend, beroofd te zijn van eer en rust, van onze eigen wil, dat alles treft ons zo snel en diep. Wij weten immers zeer precies al wat we wel of niet begeren, wij kennen afkeer of verlangen voor al te veel en zeer verscheiden dingen, nu zus, dan zo, hier blij, daar droef, nu hier, dan daar, of af en aan. Wij staan steeds klaar om onmiddellijk voor onszelf te zorgen in al wat ons voldoening schenkt.

Zo zijn wij onverlicht van geest en onstandvastig van natuur. Wij hebben oog noch oor voor wat waarachtig is en dwalen, arm en ellendig, totaal berooid als ballingen in vreemde landen en langs donkere wegen.

Dit zou ons weinig kunnen deren, indien we niet, voortdurend door de leugen aangetast, aan allen openlijk toonden niet met Christus te leven zoals Hij leefde, noch alles op te geven zoals Christus deed, en niet door iedereen te zijn verlaten zoals Christus was.

Dit ziet men aan zoveel dingen: wij doen onszelf in niets te kort en streven, waar dit mogelijk is, naar eer. Wij houden vast aan onze eigen wil, zien in onszelf alleen maar graag wat ons aantrekkelijk lijkt en zijn – zowel uiterlijk als innerlijk – op eigen voordeel uit. Aldus genieten wij van alles wat ons overkomt, en menen wij iets te zijn. Precies hierdoor zijn wij dan helemaal niets.