Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Ter voorbereiding van de viering van de donderdag

Uit een homilie van de heilige priester Johannes van Damascus († 750)

Eens zult ge van dit schouwspel genieten zonder eind

In geestverrukking riep Petrus tot de Heer: ‘Het is goed dat wij hier zijn’ (Mt. 17, 4). Inderdaad, waarom zouden wij het daglicht vervangen door de duisternis. Zie toch dit zonlicht. Het is lieflijk mooi, het is heerlijk en schitterend. Dit aardse leven is weldadig en aantrekkelijk. Iedereen wil het vasthouden en doet wat hij kan om het niet te verliezen. Maar het licht waaruit alle licht voortkomt, moet dan nog veel aantrekkelijker en weldadiger zijn. En het leven zelf, waaruit al dit leven voortkomt en geschonken wordt, waarin wij allen leven, bewegen en bestaan (vgl. Hand. 17, 28), hoeveel lieflijker en aantrekkelijker moet dat zijn. Dit is het toppunt van zoet verlangen. Geen woord of gedachte is hiervoor toereikend. Het gaat iedere vergelijking te boven en het valt onder geen enkele maat. Want hoe zou men kunnen meten wat onbeschrijfelijk is en met geen gedachte te omvatten? Dit licht behaalt de overwinning op de hele natuur, dit is het leven dat de wereld overwint (vgl. 1 Joh. 5, 5). Zo moet dus het ene goede van het andere worden onderscheiden, en dan was het toch niet vreemd wat Petrus uitriep.

‘Alles heeft zijn tijd,’ zegt Salomo (Pred. 3, 1). Zo is er ook een tijd voor alles wat mooi is. Dit mocht daarom niet beperkt blijven tot de apostelen op de Tabor. Over allen die geloven, moest het goede worden uitgestort en verspreid om meer mensen deelachtig te maken aan deze weldaad. Dat heeft Christus door zijn kruis, lijden en dood willen bereiken. Het zou niet mooi geweest zijn als de Heer op de Tabor gebleven was, want Hij had toch het vlees aangenomen om met zijn eigen bloed zijn schepselen vrij te kopen.

Als de apostelen op de Tabor gebleven waren, was de belofte niet in vervulling gegaan; dan was Petrus geen sleuteldrager geworden, dan was voor de moordenaar het paradijs niet opengegaan. De trotse heerschappij van de dood was niet verpletterd. Het dodenrijk was niet onze buit geworden. Adam was niet gered, Eva niet verlost, de aartsvaders, de profeten en de andere rechtvaardigen waren niet uit de schuilhoeken van het dodenrijk bevrijd, onze menselijke natuur was niet met onsterfelijkheid bekleed.

Te vroeg verlangde Adam te zijn als God, maar hij kreeg wat hij verlangde. Gij, Petrus, zoek dus het mooie niet overhaast. Eens zult ge van dit schouwspel genieten zonder eind. De Heer heeft u niet aangesteld om tenten te bouwen, maar om de kerk te vestigen over heel de wereld. Uw leerlingen zijn de schapen die de goede Opperherder aan u heeft toevertrouwd. Zij hebben het woord van u ten uitvoer gebracht door hier één tent te bouwen voor Christus, één voor Mozes en één voor Elia, zijn dienaren. En daarin vieren wij vandaag dit feest.