Ter voorbereiding van de viering van de dinsdag

Ter voorbereiding van de viering van de dinsdag

Uit het commentaar van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), op psalm 141 (140)

Het lijden van het gehele lichaam van Christus

‘Heer, ik heb tot U geroepen, verhoor mij toch’ (Ps. 141 (140), 1). Dit kunnen wij allen zeggen. Dit zeg ik niet alleen, de hele Christus zegt het. Toch is dit eerder gezegd namens ons, zijn lichaam; want ook toen Christus hier lichamelijk op aarde was, heeft Hij gebeden en ook in naam van het lichaam tot de Vader gebeden; en terwijl Hij bad, dropen de bloeddruppels af van zijn gehele lichaam. Zo staat het in het evangelie geschreven: ‘Jezus bad met nog meer aandrang en zijn zweet werd tot dikke druppels bloed’ (Lc. 22, 44). Wat betekent het bloed dat uit zijn gehele lichaam vloeide anders dan het lijden van de martelaren uit de gehele kerk’?

‘Heer, ik heb tot U geroepen, verhoor mij toch, luister naar mijn smeken als ik U roep.’ Dacht gij dat de tijd van roepen voorbij zou zijn na de woorden: ‘Ik heb tot U geroepen’? Gij hebt wel geroepen, maar wees daarom nog niet gerust. Als de beproeving voorbij is, is ook het roepen voorbij; maar als de beproeving van de kerk en dus van het lichaam van Christus voortduurt tot het einde der wereld, dan moet dat lichaam niet alleen zeggen: ‘Ik heb tot U geroepen, verhoor mij toch’, maar ook: ‘luister naar mijn smeken als ik tot U roep’.

‘Laat mijn bidden tot U opstijgen als wierook, mijn geheven handen U een avondoffer zijn.’ Iedere christen weet dat men deze tekst gewoonlijk verstaat als woorden van Christus zelf, het hoofd. Toen immers de dag reeds ten einde liep en het avond begon te worden, legde de Heer op het kruis zijn leven af om het weer terug te nemen; en Hij verloor het niet zonder zijn instemming. Toch was dat ook een voorafbeelding van ons allen. Wat immers heeft van Hem aan het kruis gehangen dan wat Hij van ons heeft aangenomen? Hoe zou God de Vader ooit zijn enige Zoon prijs kunnen geven en verlaten, die met Hem één God is? Toch hechtte Hij onze zwakheid aan het kruis, waar ‘onze oude mens’, volgens de Apostel, ‘met Hem gekruisigd is’ (Rom. 6, 6), en Hij met de stem van diezelfde mens uitriep: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’ (Mt. 27, 46).

Dat is derhalve het avondoffer: het lijden van de Heer, het kruis van de Heer, de offergave van het heilzame slachtoffer, het brandoffer, aangenaam aan God. Dat avondoffer heeft Christus bij de verrijzenis tot een ochtendgave gemaakt. Het gebed dus, dat zuiver gericht wordt vanuit een gelovig hart, rijst als wierook van het heilig altaar omhoog. Niets is aangenamer dan deze heerlijke wierookgeur van de Heer: moge dat de heerlijke geur zijn van allen die geloven.

‘Onze oude mens’ dus, zo luiden de woorden van de Apostel, ‘is met Hem gekruisigd; daardoor is aan het bestaan in de zonde een einde gekomen, zodat wij niet langer aan de zonde dienstbaar zijn’ (Rom. 6, 6).