Ter voorbereiding van de viering van de woensdag

Ter voorbereiding van de viering van de woensdag

Uit het commentaar van de priester Origenes († 253/254) op de brief aan de Romeinen

Als wij op Christus geënt zijn, moet de Vader, de wijnbouwer, ons snoeien

Als wij op het beeld van zijn dood geënt zijn, zullen we dit ook zijn op het beeld van zijn opstanding; wij weten immers dat onze oude mens tegelijk met Hem gekruisigd is, zodat het lichaam van de zonde vernietigd wordt; dan zullen wij niet langer aan de zonde dienstbaar zijn. Want wie gestorven is, is rechtens vrij van zonde (vgl. Rom. 6, 5-7).

Daarom zegt de Apostel dat wij ‘dood zijn voor de zonde’ (Rom. 6, 2) en ‘dat de doop waardoor wij één zijn geworden met Christus Jezus, ons heeft doen delen in zijn dood’ (Rom. 6, 3). En nu schrijft hij dat ‘wij op het beeld van zijn dood geënt zijn’ en voegt hieraan toe dat wij, als wij het beeld van zijn dood dragen waardoor Hij dood is voor de zonde, ook moeten hopen op het beeld van zijn opstanding.

Hoe dit kan, toont hij aan met te zeggen dat onze oude mens met Christus gekruisigd moet worden. Onder ‘onze oude mens’ moeten wij ons vroegere leven verstaan dat wij in zonde geleid hebben. Hieraan maken wij een einde, in zekere zin doden wij het zelfs, als wij in de geest het geloof aanvaarden in het kruis van Christus waardoor het lichaam van de zonde vernietigd wordt, zodat onze ledematen die aan de zonde dienstbaar waren, deze niet meer dienen maar God.

Laten wij nu deze tekst herlezen en zien wat het betekent: op het beeld van zijn dood geënt te zijn. Paulus laat ons de dood van Christus zien als de loot van een stam waarop hij ook ons geënt wil zien, opdat onze wortel ook het sap van zijn wortel opneemt en zo ranken van gerechtigheid voortbrengt en levende vruchten draagt.

Als u uit de heilige Schrift wilt leren welke plant het is waarop ook wij geënt moeten worden, en welke soort stam, luister dan naar wat over de Wijsheid staat geschreven: een boom des levens is zij voor allen die hun hoop op haar stellen en die in de Heer op haar vertrouwen (vgl. Spr. 3, 18). Christus is ‘Gods kracht en Gods wijsheid’ (1 Kor. 1, 24). Hij is de boom des levens waarop wij geënt zijn, maar wel op het beeld van zijn dood. Want Christus is eenmaal voor de zonde gestorven, maar in die zin dat Hij in geen enkel opzicht zonde heeft gedaan en in zijn mond geen bedrog is gevonden (vgl. 1 Petr. 2, 22).

Nogmaals, dit kan men onder geen beding van een andere mens zeggen. Niemand is immers vrij van zonde, zelfs al duurt zijn leven maar een dag (vgl. Job 14, 4; 25, 4). Dus is Jezus voor de zonde gestorven zonder ook maar in enig opzicht gezondigd te hebben. Daarom kunnen wij deze dood niet sterven, alsof wij totaal onbekend zouden zijn met de zonde. Maar het beeld van Jezus’ dood kunnen wij ons wel eigen maken, doordat wij ons, in navolging van Hem en door in zijn voetspoor te treden, van zonde onthouden.

Dit is het dus wat de menselijke natuur op zich kan nemen: zij kan een beeld van zijn dood worden door in navolging van Hem niet te zondigen. Nu ziet u hoe nodig het was dat Paulus het beeld van het enten heeft gebruikt. Iedere plant wacht immers na het winterse sterven op de opstanding van de lente. Als wij dus in de winter van deze wereld en het leven van deze tijd op de dood van Christus geënt zijn, zal blijken dat ook wij in de komende lente uit zijn wortel vruchten van gerechtigheid voortbrengen; en als wij op Hem geënt zijn, is het nodig dat de Vader, de wijnbouwer, ons snoeit als ranken van de ware wijnstok om zoveel mogelijk vruchten te dragen.