Ter voorbereiding van de viering van de dinsdag

Ter voorbereiding van de viering van de dinsdag

Uit de geschriften van de heilige Anselmus, bisschop van Canterbury († 1109)

O Maagd, door de zegen die gij hebt ontvangen, wordt al wat bestaat gezegend

Hemel en aarde, sterren en stromen, licht en duisternis, heel de schepping die de mens ten dienste staat en nut verschaft, prijst zich gelukkig om het verlies van haar luister: want door u, o vrouwe, is ze als het ware weer tot leven gewekt en met nieuwe, onuitsprekelijke genade gezegend. Al het geschapene was immers als dood door het verlies van zijn oorspronkelijke waardigheid, die erin bestond de mensen te dienen en hulp te bieden bij zijn lofprijzing van God, want daarvoor was het geschapen. Maar het werd overweldigd en onderdrukt, onteerd en misbruikt door de afgodendienaars, voor wie het niet geschapen was. Nu echter juicht diezelfde schepping om haar verrijzenis, nu alles weer ten dienste staat van hen die God loven, en het in die nuttigheid zijn luister weervindt.

Ook de mensen jubelen als het ware om die nieuwe, onschatbare genade: nu zij God zelf, hun Schepper in eigen persoon, niet alleen ervaren als de onzichtbaar boven hen tronende bestuurder van zijn schepping, maar Hem ook zichtbaar in hun midden die schepping zien benutten en ze daardoor heiligen. Die grote weldaad valt hun te beurt door de gezegende vrucht uit de gezegende schoot van Maria, de gezegende maagd.

Want door de volheid van uw genade, o vrouwe, verheugt zich al wat onder de aarde verbleef, omdat het is bevrijd, en verblijdt zich al wat boven de aarde woont, omdat het in zijn eer is hersteld. Immers, dank zij de glorievolle Zoon van uw glorievolle maagdelijkheid mogen alle rechtvaardigen die vóór zijn levenbrengende dood gestorven waren, jubelen, nu de boeien van hun gevangenschap gebroken zijn. En de engelen mogen zich gelukkig prijzen, nu hun ontmantelde hemelse stad in haar ware grootheid is hersteld.

O vrouwe, vol, ja overvol van genade! Zie, wat overvloeit van uw genade-volheid, is een regen van genade voor ieder schepsel, dat aldus verjongt tot leven komt. O Maagd, gezegend, ja boven allen gezegend, door de zegen die gij hebt ontvangen, wordt al wat bestaat gezegend, niet alleen het schepsel door zijn Schepper, maar ook de Schepper door zijn schepsel!

God heeft zijn eigen Zoon, die Hij alleen uit zijn liefde als zijn gelijke had voortgebracht en die Hij als zichzelf beminde, aan Maria geschonken. Uit Maria heeft Hij zich een zoon verwekt, niet een andere, maar dezelfde: van nature moest Hij één en dezelfde zoon van God en Maria te zamen zijn. Heel de schepping is door God geschapen, maar God zelf is uit Maria geboren. God heeft alles geschapen, maar Maria heeft God ter wereld gebracht. God die alles heeft gemaakt, heeft uit Maria zichzelf gemaakt. En zo heeft Hij alles wat Hij eerst gemaakt had, terug nieuw gemaakt. Hij die alles uit het niets kon maken, heeft zijn geschonden schepping niet nieuw willen maken zonder eerst zelf zoon van Maria te worden.

Daarom is God vader van al wat geschapen is, Maria moeder van al wat herschapen is. God is de vader van het eerste bestaan, Maria de moeder van het hernieuwde bestaan. Want God heeft Hem voortgebracht door wie alles is gemaakt, Maria heeft Hem gebaard door wie alles is verlost. God heeft Hem voortgebracht zonder wie er volstrekt niets bestaan kan, Maria heeft Hem gebaard zonder wie er helemaal niets bestaan kan dat goed is.

Ja, de Heer is waarlijk met u, Maria, want aan u heeft de Heer gegeven dat heel de schepping al die gaven aan u, te zamen met Hem, te danken heeft!