Ter voorbereiding van de viering van de dinsdag

Ter voorbereiding van de viering van de dinsdag

Uit de brief van de heilige paus Clemens I († 101) aan de Korintiërs

God is getrouw in zijn beloften

Overwegen wij, geliefden, hoe de Heer ons voortdurend de toekomstige verrijzenis toont, waarvan Hij de Heer Jezus Christus de eersteling maakte door Hem van de doden te doen opstaan. Letten wij daarbij, geliefden, op een vorm van opstanding die regelmatig plaatsvindt. Dag en nacht tonen ons een beeld van de verrijzenis; de nacht gaat rusten en de dag rijst op, de dag gaat heen en de nacht komt op. Nemen we de vruchten: wat gebeurt er met het zaad? De zaaier is uitgegaan en heeft allerlei zaad uitgestrooid; het naakte en droge zaad valt in de aarde en gaat tot ontbinding over. Maar vervolgens wekt de grootheid van de goddelijke voorzienigheid dit weer op uit de ontbinding, en uit het ene zaadje zullen er vele opkomen en vruchten dragen.

Door deze hoop nu moet onze ziel gehecht zijn aan Hem die getrouw is in zijn beloften en rechtvaardig in zijn oordelen. Die verboden heeft te liegen, hoeveel te minder zal Hijzelf liegen; niets toch is bij God onmogelijk, behalve liegen. Laat dan ons geloof in Hem verlevendigd worden en bedenken wij dat alles in zijn bereik ligt.

Door het woord van zijn almacht heeft Hij alles tot stand gebracht en door zijn woord kan Hij alles omverwerpen. Wie zal Hem zeggen: wat hebt Gij gedaan? Of wie zal weerstand bieden aan de kracht van zijn almacht? (vgl. Wijsh. 11, 21). Hij zal alles doen, wanneer Hij wil en zoals Hij wil, en niets van wat door Hem is gewild, blijft onvervuld. Alles is voor Hem aanwezig en niets blijft voor zijn raadsbesluit verborgen, want ‘de hemel verkondigt Gods heerlijkheid en het uitspansel toont ons het werk van zijn handen. De dag roept het toe aan de volgende dag, de nacht geeft het door aan de nacht. Geen woord wordt gesproken, geen stem weerklinkt, geen enkel geluid is te horen’ (Ps. 19A (18A), 2-4).

Daar nu alles door God wordt gehoord en gezien, moeten wij Hem vrezen en de onzuivere begeerten naar slechte daden opgeven. Dan zullen we door zijn barmhartigheid worden beschermd tegen het komende oordeel. Want waarheen zou iemand van ons kunnen vluchten voor zijn machtige hand? En welke wereld zou iemand kunnen opnemen die van Hem wegvlucht? De Schrift zegt toch ergens: waarheen zou ik gaan en waar zou ik mij voor uw gelaat verbergen? Al stijg ik naar de hemel op, daar zijt Gij reeds; al daal ik in het dodenrijk, Gij zijt aanwezig; al leg ik mij neer in de afgrond, ook daar is uw geest (vgl. Ps. 139 (138) 7-10). Waar zal dan iemand heengaan of waarheen zal hij vluchten voor Hem die alles omvat?

Gaan we dan met een zuiver hart tot Hem; heffen wij reine en onbevlekte handen naar Hem op. Laten wij onze goede en barmhartige Vader beminnen die ons tot zijn uitverkorenen heeft gemaakt.