Ter voorbereiding van de liturgie op zaterdag 15-02-2020

Ter voorbereiding van de liturgie op zaterdag 15-02-2020

Uit een homilie van de heilige Johannes Chrysostomus, bisschop van Constantinopel († 407), over het boek Genesis

Laat de dood nu maar komen, ik heb jou nu weergezien

Jakob sprak: ‘Het is een grote vreugde voor mij dat mijn zoon Jozef nog leeft. Ik ga op weg om hem te zien voordat ik sterf’ (Gen. 45, 28).

Zonder te aarzelen begaf de rechtvaardige zich op weg. En toen hij in Berseba gekomen was, bad hij tot de Heer om Hem dank te zeggen en bracht een offer aan de God van zijn vader Isaak (vgl. Gen. 46, 1). Omdat hij de lange weg voor zich zag en aan zijn hoge leeftijd dacht, was hij bang dat de dood hem zou overvallen, voordat hij zijn zoon gezien en gesproken had. Hij smeekte daarom de Heer zijn leven nog zo lang te rekken dat hij volledige vreugde zou mogen genieten.

Maar zie hoe de goede God de rechtvaardige op velerlei wijzen tevredenstelt. ‘God sprak immers in een nachtelijk visioen: Jakob, Jakob, Ik ben de God van uw vader. Gij moet er niet tegenopzien naar Egypte te trekken, want Ik zal daar een groot volk van u maken. Ikzelf zal u naar Egypte vergezellen en Ik zal u ook weer terugbrengen. Jozef zal u de ogen sluiten’ (Gen. 46, 2-4). Zie toch: wat die rechtvaardige man verlangde, dat belooft God hem en nog veel meer.

Let op de woorden: ‘Ikzelf zal u naar Egypte vergezellen.’ Wat zou gelukkiger kunnen zijn dan God als reisgezel te hebben? Dan volgt de troost, die de oude man het hardste nodig had: Jozef zal u de ogen sluiten.’

‘Toen Jozef vernam dat Jakob in Gosen aangekomen was, liet hij zijn wagen inspannen en reed zijn vader tegemoet. Toen hij hem zag, viel hij hem om de hals en weende lange tijd’ (Gen. 46, 28-29). Want meteen kwam in hem de herinnering boven aan wat hijzelf geleden had, en wat zijn vader om hem verduurd had. Hij bedacht dat er zo’n lange tijd vervlogen was en hoe hij nu tegen alle verwachting in zijn vader terugzag en de vader zijn zoon. Toen vergoot hij stromen van tranen als blijk van vreugde en als dank aan de Heer voor wat er gebeurd was. ‘En Israël sprak tot Jozef: laat de dood nu maar komen! Ik heb jou weergezien en weet dat je nog leeft’ (Gen. 46, 30). Hij bedoelt: mijn wensen zijn in vervulling gegaan. Ik heb gekregen wat ik nooit heb durven hopen. Nu ben ik tevreden met het leven dat ik heb gehad. Ik heb gezien naar wie ik verlangde. Voor al mijn vreugde is het genoeg dat ik mocht zien dat jij nog in leven bent, die ik al lang dood waande en door de wilde dieren verscheurd.